Wat als je de stap zet waar velen alleen van dromen? Alles achterlaten, Nederland verruilen voor het Franse platteland en een motorhotel beginnen midden in de bergen. In aflevering 198 van De Motor Podcast duiken Peter en Dennis in het verhaal van Judith Mulder. Een verhaal over lef, tegenslag en doorzetten, met de motor als rode draad.
Judith vertrok in 2018 naar Drôme, een regio die bekendstaat om zijn eindeloze bochten, stille bergwegen en uitzichten waar je als motorrijder stil van wordt. Samen met haar partner begon ze daar een kleinschalig motorhotel op een uitgestrekt landgoed van maar liefst 140 hectare. Het klinkt als een droom, maar de realiteit bleek weerbarstig. Leven en werken op zo’n afgelegen plek, 24 uur per dag samen, zette de relatie onder druk. Uiteindelijk barste de relatie maar terug naar Nederland was geen optie, dus bleef Judith. Alleen.
Wat volgt is misschien wel het meest inspirerende deel van deze aflevering. Met hulp uit de motor community bouwde ze haar bestaan opnieuw op. Motorrijders die langs kwamen, bleven terugkomen, hielpen mee en zorgden ervoor dat Drôme Vacances uitgroeide tot een plek waar het niet alleen om rijden draait, maar ook om verbinding. En alsof het script nog niet compleet was, verscheen er op een dag een Fransman op haar erf, die haar leven opnieuw een wending gaf. Het is precies het soort verhaal dat laat zien hoe motorrijden verder gaat dan asfalt en pk’s.
Ook schuift ook Remco van Combi Motors Verzekeringen aan om een onderwerp te bespreken waar weinig rijders enthousiast van worden, maar dat wél essentieel is: de motorverzekering. Wat bepaalt je premie? Waar kun je op besparen? En hoe voorkom je dat je onder- of juist oververzekerd bent? Praktische tips worden afgewisseld met heldere uitleg, waardoor je na het luisteren waarschijnlijk toch even kritisch naar je eigen polis kijkt.
En zoals altijd zorgen de vaste rubrieken voor de nodige luchtigheid. Dennis merkt dat hij langzaam verandert in een soort motor influencer, terwijl Peter te maken krijgt met ingrijpen van ‘gezagsdragers’.
Luister hier naar De Motor Podcast aflevering 198.
Luisteren naar De Motor Podcast is helemaal gratis en kun je doen via elke podcast-app zoals Spotify of de andere platformen. Er verschijnt elke 2 weken een nieuwe aflevering.
In het eerste deel van de honderdjarige geschiedenis van Ducati sloten we af bij de zoektocht naar Nederlandse importeurs. In de jaren vijftig en zestig werden Ducati’s via Gé van Bockel en later MOTIM ons land binnengehaald. Destijds stond Ducati vooral bekend om hun razendsnelle eencilinders. Pas tegen het eind van de jaren zestig kwamen de legendarische L-twins in beeld.
In 1960 ontwikkelde Taglioni de 32 pk sterke 250cc-F3 waarmee vooral door de Ducati-fabriek zelf succesvol geracet werd. Successen in Amerika met de 250 F3 gaven Ducati begin jaren ’60 grote bekendheid. Dit was reden om in 1961 twee nieuwe 250cc-modellen op de markt te brengen, de Monza-toermotor en de sportievere Diana. In 1962 kwam daar de 30 pk sterke 250 SCR Motocross bij, gevolgd door de sportieve Mark 3 Super Sport. Die was vanaf 1963 vooral in Amerika erg populair. In Engeland werd al snel een racekit leverbaar voor de Diana, waardoor dit model een top kon halen van 160 km/u. Vele Diana’s vonden hun weg naar het circuit en dat was één van de redenen waarom Ducati in 1964 een nieuw model introduceerde, de iconische 250 cc Mach 1. Dat was een supersportief wegmodel, Ducati claimde een topsnelheid van 170 km/u. De Mach 1 werd volop in de racerij gebruikt en dat leidde weer tot de nog sportievere 250cc- en 350cc-Mach 1/S-productieracers die een vermogen leverden van 34 respectievelijk 39,5 pk.
Ducati ontwikkelde begin jaren ’60 ook lichte tweetakten in een poging om meer inkomsten voor de fabriek te genereren, zoals de 50 cc Brisk- en Piuma-bromfietsen en de Brio-scooterserie die al snel een grotere cilinderinhoud kreeg. Maar de focus lag toch vooral op de ontwikkeling van de viertaktmodellen. Het modelprogramma werd langzaam verder uitgebreid om de buitenlandse afzetmarkt te vergroten. Ducati zocht in die periode naar meer wegen om inkomen te genereren en maakte opnieuw een uitstapje naar de autowereld. Giuseppe Montano sloot een contract met British Leyland om in licentie de Triumph Spitfire, Herald en TR4 te produceren c.q. assembleren. Ze zijn naast wat details vooral herkenbaar aan de kleine Ducati Meccanica-logo’s op de carrosserie. Ducati werkte ook samen met Alfa Romeo, de Lancia Thema werd deels bij Ducati geassembleerd.
1 van 3
Massimo Tamburini (links) ontwierp de 916. Hier is hij aan het werk met een prototype uit 1993.
De beroemde 750 Super Sport ‘Imola Replica’ uit 1974.
De iconische Ducati Paso 750 uit 1986.
Wide en small case
Medio jaren ’60 ontwikkelde Ducati voor de Amerikaanse markt een nieuwe 500cc-paralleltwin. Opzienbarend was de 1260 cc Apollo V4, die speciaal voor de Amerikaanse importeur werd ontwikkeld. Het bleef bij enkele prototypes, want zowel de twin als de V4 zouden nooit in productie gaan. De Italiaanse overheid zag geen heil in deze projecten vanwege de torenhoge ontwikkelingskosten. In plaats daarvan kreeg Taglioni de opdracht om de eencilindermodellen verder te ontwikkelen. Dit leidde tot een modellenserie die wij kennen als de ‘narrow case’ (wijd carter) Ducati eencilinders. De voorgaande generatie Ducati eencilinders stond vanaf dat moment bekend als de ‘small case’ (smal carter)-generatie. Het nieuwe carter was iets groter en de ophangingspunten aan het frame waren breder. Het motorblok kende ook een aantal interne verbeteringen, bijvoorbeeld een sterkere hoofdlagering van de krukas en het big-end, een gemodificeerde versnellingsbak inclusief versterkte aandrijving van de kickstarter. Het big-end was een zwak punt bij Ducati’s eencilinders en zou nog een aantal keer versterkt worden tot de productie van de koningsas-eencilinders tot een einde kwam in 1974. De maximale cilinderinhoud van Ducati’s smalcarterproductiemodellen was 350 cc, bij de wijdcarters kon dit doorgroeien naar 436 cc.
De eerste wijdcarter-Ducati’s waren de 350cc- en 250cc-Scramblers, die in 1968 in productie gingen. In 1969 werden die opgevolgd door de 450 Scrambler, die een cilinderinhoud had van 436 cc. De Scrambler-serie was zeer gewild en verkocht goed. Zowel in Europa als in Amerika werd het model populair. Heel kort na de introductie in 1968 van de Scrambler volgden de wijdcarter Mark 3 en de 250 Monza. Nog zonder desmo, maar dat zou dat jaar anders worden met de introductie van de 250cc- en 350cc-Mark 3 Desmo. Daarmee ging een lang gekoesterde wens van Taglioni in vervulling.
Toen in 1969 het 436cc-motorblok debuteerde in de Scrambler, volgden de 450 Mark 3 en 450 Mark 3 Desmo al snel. Opvallend was de ‘Road/Track’ 450 R/T, die vooral voor de Amerikaanse markt bedoeld was. In tegenstelling tot de Scrambler was dit een serieuze terreinfiets. Door de jaren heen werden deze modellen licht gemodificeerd en af en toe kwam er een nieuwe uitvoering, zoals de T- en TS-toermodellen, die in 1971 op de markt kwamen. Ze waren vooral bedoeld als politiemotor. De opvallende 250-, 350- en 450-Desmo-sportmodellen waren de laatste koningsas-eencilinders die geproduceerd werden. In 1974 stopte de productie van de klassieke koningsas-eencilinders.
In de jaren ’90 introduceerde Ducati een nieuwe en opzienbarende eencilinder, de Supermono, een wegracer die bedoeld was voor de destijds populaire Sound of Singles-raceklasse. Het motorblok was ruw gezegd een gehalveerde desmoquattro 851 V-twin, zonder een tweede cilinder. Van meer recente datum zijn de 450MX Desmo-motorcross-eencilinders, geïnitieerd door Ducati’s CEO Claudio Domenicali met assistentie van negenvoudig motorcrosswereldkampioen Tony Cairoli en Italiaans motorcrosskampioen Alessandro Lupino.
De opvolgers van de koningsas-eencilinder kwamen in 1976 op de markt: de 350GTL en de 500GTL. Beiden waren voorzien van een paralleltwin-motorblok en klepveren. Ze presteerden matig, maar dat veranderde toen de 350/500 Sport Desmo’s in 1977 op de markt kwamen. Desondanks waren het geen succesvolle modellen; in 1980 rolden de laatste van de band. Toen waren de opvolgers van deze modellen, de Pantah’s, al op de markt.
Inmiddels was Giuseppe Montano in 1969 door de Italiaanse overheid vervangen door Arnaldo Milvio en Fredmano Spairani. Uit Amerika kwam een steeds sterkere vraag naar zwaardere motoren. Ducati wilde daar graag aan voldoen, want de VS waren de grootste afzetmarkt voor motoren ter wereld. Milvio en Spairani gaven Taglioni opdracht om zo snel mogelijk een zwaarder Ducati-model te ontwikkelen. Taglioni zag tegelijkertijd nieuwe kansen om Ducati’s sportieve aspiraties nog verder vorm te geven. Het besluit werd genomen om een 750cc 90° V-twin te ontwikkelen en daarbij gebruik te maken van componenten van de eencilinder-koningsas, zoals de cilinderkop. Dr. Taglioni’s grote voorbeeld was de 500cc Moto Guzzi Bicilindrica GP-racer, die in de jaren ’30 op de circuits verscheen. Dit was in feite een dubbele 250cc-eencilinder in V-twinconfiguratie. Op 20 maart 1970 maakte Taglioni zijn eerste ontwerptekening, in augustus was het eerste rijdende prototype klaar. In juni 1971 ging het eerste Ducati V-twin-seriemodel in productie, de 750GT-koningsasser met enkele bovenliggende nokkenas. Het was een motor die heel positief ontvangen werd en al snel een sportiever broertje kreeg, de 750 Sport. Zowel de GT als de Sport hadden geen desmodromische kleppenbediening, het waren klepveren die de kleppen sloten.
Ducati had in oktober 1970 besloten om weer als fabriek aan de racerij deel te nemen. Om de V-twin te promoten en om de potentie van een V-twinracer te onderzoeken, werd een opzienbarende stap genomen: de ontwikkeling van een 500cc V-twin GP-racer. Tussen 1971 en 1973 verscheen hij op de circuits, maar was niet echt succesvol. Er werd kort met een 750cc-versie geëxperimenteerd. Ducati ontwikkelde meer exotische machines in die periode, waaronder een 350cc-DOHC-driecilinder-twaalfklepper.
1 van 3
Carl Fogarty won het wereldkampioenschap Superbike in 1998.
De Ducati Supermono in actie op het circuit van Laguna Seca in 1995.
De Triumph Ducati Spitfire uit 1962.
Desmodromische koppen
In 1972 volgde dé mijlpaal uit de historie van Ducati: Paul Smart en Bruno Spaggiari pakten een legendarische 1–2-zege in de allereerste Imola 200. Dit was een race die bijzonder groots aangekondigd werd en waar de grote Italiaanse motorfabrikanten met internationale toprijders aan de start verschenen. Ducati stond op dat moment vooral bekend als fabrikant van lichte eencilinders en niemand had het merk vooraf een kans gegeven. De Imola 200 was geïnspireerd op de beroemde Daytona 200 en was specifiek bedoeld voor de nieuwe 750cc-viertaktraceklasse, de F1. De Ducati Imola-racers waren gebaseerd op de 750GT, maar wel voorzien van desmodromische cilinderkoppen en een flink opgevoerd motorblok. Die overwinning katapulteerde Ducati van kleine specialist naar een motorfabrikant met een wereldnaam.
Er ontstond direct een vraag naar een straatversie. Ducati reageerde met de iconische 750 Super Sport (SS) die vaak de ‘Imola replica’ wordt genoemd. Dit was een handgebouwde desmo, straatlegaal maar compromisloos sportief. Het was de eerste echte fabrieksreplica die zó dicht tegen een racewinnaar aan lag. Na de 750-doorbraak volgden grotere varianten, waaronder de 860/900 en de geliefde 900 Super Sport en de Darmah die erg goed verkocht. In 1978 reed Mike Hailwood op het eiland Man tijdens de F1-race op een NCR Ducati 900 het merk opnieuw in de geschiedenisboeken. Die overwinning bezegelde de mythologie van de koningsassers en leidde tot de beroemde Mike Hailwood Replica, een model dat emotie, nostalgie en performance samensmolt en naar de showroom bracht.
De koningsas-Ducati’s waren erg kostbaar om te produceren en Ducati slaagde er niet in om ze aan een groot koperspubliek te slijten. Ducati realiseerde zich dat ze een modernere en economisch efficiëntere nokkenasaandrijving nodig hadden om toekomstbestendig te blijven. De oplossing was in de tijd van de paralleltwin-modellen al uitgewerkt op de tekentafel door Fabio Taglioni. Met de 500SL Pantah uit 1979 introduceerde Ducati tandriemaandrijving voor de nokkenassen. Deze aandrijving was lichter, goedkoper en stiller dan de koningsasaandrijving.
De Pantah-desmodromische tweeklepskoppen, compacte carters en stijve, strak sturende vakwerkframes vormden de basisarchitectuur voor vele toekomstige Ducati’s zoals bijvoorbeeld de naked TL-versie van de Pantah, de Supersport, de F1 en de Monsters. Al deze modellen waren in verschillende cilinderinhouden leverbaar, de Pantah bijvoorbeeld in een 350cc-, 500cc-, 600cc- en 650cc-uitvoering. Op de circuits waren deze modellen ook erg succesvol; in de TT2 en de TTF1 werden meerdere titels binnengeharkt en ook in de langeafstandsracerij presteerden ze erg goed.
Veel van deze modellen ontstonden nadat Ducati in 1985 overgenomen werd door Cagiva. Cagiva maakte al gebruik van Ducati-motorblokken voor een aantal van haar straatmotoren, maar deed als nieuwe eigenaar van zich spreken met de komst van de 750 Paso in 1986 en de Indiana custom. De Paso zorgde voor een trend in de motorwereld dankzij zijn plaatwerk dat de motor vrijwel geheel omsloot. Latere modellen zoals de 906 Paso en de 907 i.e. met brandstofinjectie volgden die trend. Tegenwoordig is dit concept heel normaal. Maar er gebeurde meer, veel meer.
Onder leiding van Massimo Bordi ontstond een nieuwe generatie Ducati’s: de Desmoquattro’s. Deze vloeistofgekoelde vierkleps desmo V-twins met brandstofinjectie vormden vanaf de 851 (1987/88) en 888 Ducati’s fundament in de kersverse World Superbike (WSBK)-raceklasse die in 1988 ingevoerd werd. De Desmoquattro’s domineerden de viertaktracerij dankzij hun krachtige motorblokken en fabuleuze wegligging. Maar de Desmoquattro’s wonnen niet alleen races; ze redden Ducati ook van de ondergang. Ook Cagiva realiseerde zich dat sportieve successen met straatgerelateerde motorfietsen kopers aan zouden trekken. En opnieuw zou het succesvol uitpakken.
Designstatement
Massimo Tamburini’s 916 zette in 1994 een nieuwe standaard neer qua motorfietsdesign en -techniek. Nog steeds is de 916 een tijdloos mooie motorfiets die innoveerde met zijn enkelzijdige swingarm, uitlaten onder het zitje, het nieuwste generatie Desmoquattro V-twin-motorblok en zijn adembenemend mooie ontwerp. In handen van Carl Fogarty en vele anderen werd de 916/996/998-lijn een WSBK-legende en hét object van begeerte in showrooms wereldwijd. De 916 was meer dan een motor: hij was een designstatement van Ducati en nog steeds is het één van de modellen die Ducati als merk definieerden.
Dat gold ook voor de Monster, die in 1993 zijn intrede deed. Het radicale nakedconcept van Miguel Galluzzi groeide snel uit tot Ducati’s bestverkopende modellenlijn en trok een nieuwe generatie motorrijders aan. De Monster overbrugde de kloof tussen racereplica’s en cruisers, en schiep zo een eigen markt.
In 1996 werd Ducati verkocht aan de Texas Pacific Group (TPG). Dit gaf Ducati een kapitaalinjectie en het bedrijf werd hervormd. Het modellenprogramma werd uitgebreid met de ST-toerders en de SportClassics en een nieuwe doorontwikkeling van de Supersport en de Monster.
De Ducati Desmosedici MotoGP racer uit 2007, met Casy Stoner op weg naar Ducati’s eerste MotoGP wereldtitel.
MotoGP-wereldkampioen
Begin 2000 zette Ducati haar zinnen op de hoogste categorie in de racerij: de MotoGP. In 2003 debuteerde de Desmosedici GP. Deze MotoGP-exoot was in het begin niet echt succesvol en diverse topcoureurs beten zich stuk op deze wispelturige machine. Casey Stoner wist er wel raad mee en dat vertaalde zich in 2007 in Ducati’s eerste MotoGP-wereldtitel. Ducati bleef haar desmo-, aerodynamica- en elektronica-knowhow gestaag doorontwikkelen. Dat kreeg een nieuwe impuls toen Luigi Dall’Igna eind 2013 werd ingelijfd. Na een korte aanloopperiode was Ducati het te kloppen merk geworden in de MotoGP. En dat is een gigantische prestatie voor deze relatief kleine motorfabrikant.
In 2006 werd Ducati overgenomen door Investindustrial, gevolgd door Audi (Volkswagen Group) in 2012. Dat had grote financiële en technische wijzigingen tot gevolg. Er werd volop geïnvesteerd in R&D, kwaliteitssystemen en een breder wereldwijd distributienetwerk. Ook de productiemodellen werden niet vergeten. De Panigale markeerde de start van een nieuw tijdperk. Eerst als 1199cc- en 1299cc-Superquadro en later als V4. Ducati bouwde daarnaast haar modellengamma steeds verder uit, bijvoorbeeld met de Multistrada (adventure sport), de Hypermotard (fun supermoto), de Diavel (powercruiser) en de Scrambler. Ook de Monster evolueerde door naarmate nieuwe generaties motorblokken hun intrede deden op de sportmodellen.
Eén van de grootste technologische innovaties kwam in 2018 met de introductie van de Desmosedici Stradale V4 in de Panigale V4. Daarmee nam Ducati wat betreft haar ‘top superbike’ afscheid van de V-twin. Een V4 biedt nu eenmaal meer ruimte in topvermogen, balans en zijn de mogelijkheden in de racerij groter. Ducati’s V4 knipoogde naar de V4 uit de MotoGP-Desmosedici van destijds door zijn compacte hoek tussen de cilinders en door zijn contraroterende krukas, desmo en uitgebreide elektronica. Maar het V4-platform vormde ook de basis voor de Streetfighter V4, de Diavel V4 en de Multistrada V4.
Ook de V-twin maakt nog steeds onderdeel uit van Ducati’s modellenprogramma. Machines als bijvoorbeeld de Streetfighter V2, de SuperSport 950 en meer recentelijk de DesertX adventure V-twin zorgen ervoor dat Ducati nog steeds vasthoudt aan haar karakteristieke V-twin!
Foto’s: Archives A. Herl, Ducati, Fabio Taglioni (RIP), Enzo Masciotti
Volgende week vrijdag rijden we in het Spaanse Marbella met de gloednieuwe 2026 Triumph Tracker 400 – een motor die volgens de folder de kenmerkende stijl van flat track-racing koppelt aan het authentieke Triumph-DNA. Deze Tracker is meer dan zomaar een uitbreiding van de succesvolle 400-serie; het is een statementmachine.
Bij onze testrit letten we vooral op de nieuwe 398cc TR-serie motor, goed voor 42 pk bij 9.000 tpm. Triumph belooft een verbeterde gasrespons dankzij een herzien nokkenasprofiel en nieuwe interne componenten. Daarnaast moeten de radiale remklauwen en het aangepaste chassis zorgen voor meer controle en stabiliteit.
De ergonomie is sportiever dan die van de Speed 400: breder stuur, hogere voetsteunen en een rijhouding die uitnodigt tot actief sturen. Ook de styling verdient aandacht: de ronde LED-koplamp, racegraphics en Pirelli MT60 RS-banden geven de Tracker 400 zijn karakteristieke, gespierde uitstraling.
Triumph mikt duidelijk op rijders die beleving zoeken – zonder in te leveren op gebruiksgemak. Met onderhoudsintervallen die tot de top van het segment behoren en een uitgebreide garantie lijkt de Tracker 400 klaar om zowel nieuwkomers als ervaren rijders te overtuigen.
Naast de Tracker 400 staat ook de Scrambler 400XC op het programma. We kijken ernaar uit!
Het begon in 1968 eigenlijk als een grap: de Olof Races op het circuit Beekse Bergen. Maar het evenement in Hilvarenbeek zou in de jaren ’70 in één adem genoemd worden met andere bekende internationale wegraces in Nederland, zoals die in Raalte, Tubbergen en Hengelo (GLD). De eerste motorrace op het circuit Beekse Bergen werd georganiseerd door studentencorps Sint Olof uit Tilburg. Al snel groeide het evenement in populariteit, waarna de nieuwe stichting Olof-wegraces de organisatie overnam. Het circuit van zo’n 4,5 kilometer was – simpel gezegd – een rondje om de vijver. Op sommige plekken scheurden de rijders zó dicht langs het water, dat er zelfs duikers in de vijver lagen om gecrashte rijders die in het water terechtkwamen, eruit te halen. En ja, dat kwam echt voor. Op andere delen van het circuit lagen strobalen om gevallen rijders op te vangen. Kortom: een stratencircuit waar je in de huidige tijd met afgrijzen naar zou kijken. Ondanks de gevaarlijke omstandigheden wist de organisatie elk jaar weer een ijzersterk deelnemersveld aan te trekken.
Tussen de 20.000 en 45.000 toeschouwers kwamen naar de Olof Races. Grote namen als Wil Hartog, Boet van Dulmen, Jack Middelburg en andere Nederlandse toppers verschenen aan de start, samen met internationale Grand Prix-rijders. In die tijd werden zij vaker gecontracteerd voor internationale wegraces in Nederland. Veelzeggend is dat beide ronderecords – vanaf 1977 werd er tegen de klok in gereden – op naam staan van internationale coureurs: Alex George (Schotland) en Takazumi Katayama (Japan). In de jaren ’70 waren er zelfs plannen voor een permanent circuit op deze locatie, maar die gingen uiteindelijk niet door. In totaal werden er twaalf edities van de Olof Races verreden. De laatste vond plaats in 1979, nadat er voor de tweede keer een dodelijk slachtoffer viel. In 1976 betrof het de Duitse GP-winnaar Gerhard Thurow. Drie jaar later liet Theo van de Wiel uit Haps er het leven. Opvallend genoeg gebeurden beide tragedies in de lichtste klasse: de 50cc. Als gevolg van het laatste ongeluk werd het circuit Beekse Bergen een jaar later niet meer goedgekeurd door de KNMV. Voor één jaar verhuisden de Olof Races nog naar Zandvoort, maar dat bleek geen succes.
Foto: Henk Keulemans
50cc-winnaar Jan Bruins (Jamathi) met de Olof-miss in 1974.
De allereerste motor van Henri Hulleman was een Honda, de zeven motoren die daarna volgden, waren allemaal Kawasaki’s. Dat begon met een Kawasaki Z650 en eindigt (tot nu toe) bij een ZZR1400. Voor Hulleman geldt: hoe meer vermogen, hoe meer plezier. Dat hij met zijn vijftien jaar geleden gekochte ZZR1400 de 200.000 km-grens zou gaan overschrijden, had hij toen niet gedacht. En het einde lijkt nog lang niet in zicht.
Henri Hulleman (66) groeide op in Klarenbeek, een dorp net buiten Apeldoorn. ‘Als tiener was ik gek op bromfietsen. Het aanschaffen van een motor, toen ik achttien werd, was voor mij een logische voortzetting van mijn tweewieleravontuur. Erg blij waren mijn ouders niet toen ik met dat idee op de proppen kwam. Niemand in de familie had iets met motorrijden; ik dus wel. En dat virus zit bij mij diepgeworteld. Mijn eerste motor, in 1977, was een Honda CB550 Four. Niet zo’n beste koop, want dit model had heel veel problemen met vocht. Die motor heb ik daarom maar zo snel mogelijk van de hand gedaan. Ervoor in de plaats kwam een nieuwe Kawasaki Z650. Die Kawasaki beviel zo goed dat ik twee jaar later een nieuwe Kawasaki Z1000 H-injectie heb gekocht. Een bijzondere motor waarvan er in Nederland slechts vijftig zijn verkocht. Een nieuwe GPZ1100 werd mijn volgende nieuwe Kawasaki, waarmee ik samen met vrienden van Motorclub De Megafoon naar diverse races in binnen- en buitenland reisde. Met de daaropvolgende tweedehands Z1000 werd niet zoveel gereden. Door omstandigheden kwam het motorrijden op een laag pitje te staan, en het stopte zelfs een zestal jaren alvorens ik het motorrijden met een gebruikte ZZR1100 weer heb opgepikt.’
In de beginjaren werd er regelmatig een andere motor gekocht, maar dat veranderde naarmate Hulleman wat ouder werd. Met de ZZR1100 deed hij een jaar of zeven en met de ZZR1200 bijna tien jaar. Met zijn huidige motor, de ZZR1400 die hij in 2010 kocht, spant Henri de kroon. ‘Een reden om deze krachtpatser van de hand te doen, heb ik nog steeds niet gevonden.’
Henri Hulleman
Woonplaats
Apeldoorn
Leeftijd
66 jaar
Beroep
Lasser-fitter
Rijdt sinds
1977
Aangeschaft
2010
Kawasaki ZZR1400 Specificaties
Nieuwprijs
Circa €16.098
Dagwaarde
Circa €4.000
Rijstijl
Sportief/Toer
Gebruik
Toer/Vakantie
Brandstofverbruik
1:13
Olieverbruik
Nihil
Onderhoud
Motorzaak
Bouwjaar
2010
Kilometerstand
204.064 km
1 van 3
Kachelpijpen
Zonder het met zoveel woorden te zeggen, is wel duidelijk dat er voor Hulleman maar één motormerk bestaat en dat luistert naar de naam Kawasaki. ‘Bij de eerste aanblik in 2006, toen de ZZR1400 op de markt verscheen, was ik verkocht. Maar het duurde toch nog tot 2010 voor ik er eentje kocht. De reden was simpel: ik vond de ZZR1200 waarmee ik toen reed ook nog steeds een geweldige motor. Toen ik de nieuwe motor kocht, was ik wel zeer ontstemd over de manier van aflevering. Je verwacht dat een nieuwe motor glimt, maar de mijne zat vol vieze, vette vingers. Tijdens de garantieperiode ben ik klant gebleven bij deze motorzaak. Vanaf 2014 vertrouw ik het onderhoud van mijn motor toe aan Motorcentrum Deventer. Daar worden zaken tenminste nog netjes geregeld, in overleg met de klant. Bij grote motorzaken is naar mijn idee de klantvriendelijkheid vaak steeds verder te zoeken.’
Na aanschaf van de ZZR1400 heeft Henri wel direct een paar zaken aangepast. ‘De grote “kachelpijpen” konden mij niet bekoren. De vervangingsdempers van Akrapovič zijn veel mooier, maar ook pas nadat ik ze een centimeter of tien had ingekort. De uitlaten zorgen voor een mooi diep geluid, maar zeker geen lawaai. Daar hou ik niet van. Als lasser-fitter ben ik handig in het maken of vermaken van metalen onderdelen. Zo heb ik een mooie rvs-beugel voor achter op de motor gemaakt. Daar past dan weer een rekje voor een topkoffer op. Voor montage van de quickshifter heb ik zelf iets verzonnen waardoor er niet in het beschermkapje van het voortandwiel hoefde te worden geboord. De valdoppen zijn een kant-en-klaar accessoire. Gelukkig hebben ze hun nut nog nooit hoeven te bewijzen.’
Radiateur
Liefst 26 achterbanden, 23 voorbanden, vijf kettingsets en veertien voorrembloksets heeft Henri Hulleman gedurende de 200.000 km die hij met zijn ZZR1400 heeft gereden (laten) vervangen. ‘Dat lijkt misschien veel, maar uitgesmeerd over de jaren en de kilometers valt dat mee. Zeker met mijn rijstijl. Daar waar het kan, haal ik eruit wat erin zit. Dat je dan niet in Nederland moet zijn, moge duidelijk zijn. Met een groep vrienden uit mijn geboortedorp gaan we al sinds 1978 jaarlijks een lang weekend op reis. En als lid van Motorclub De Megafoon ga ik bijna iedere zondagochtend mee op pad. Een van de leden, Gerard, zorgt iedere week voor een mooie nieuwe GPX-route. Gemakkelijker en leuker kun je het niet bedenken. Natuurlijk staan er ook regelmatig langere tochten op het programma. Vroeger reed ik op de motor heel Europa door om in de bergen te kunnen rijden. De laatste jaren doe ik het anders: motor op de aanhanger achter de camper en dan vanaf een camping mooie ritten in de bergen rijden. Geen gedoe met bagage, hotels zoeken e.d. En voor mijn vrouw blijft het zo ook leuk. Ze kan achterop mee als ze dat wil, maar het hoeft niet.’
De door Henri nieuw aangeschafte ZZR1400 heeft tijdens de 200.000 km onderweg nooit voor problemen gezorgd. ‘Altijd starten en rijden. Behalve dan die ene keer dat de accu stuk was. Maar dat was thuis. In die vijftien jaar heb ik pas twee keer de accu vervangen. In de winter wordt de motor niet gebruikt. De accu hangt dan aan de druppellader. Mijn duurste reparatie kwam, zo bleek achteraf, door eigen dommigheid. Tijdens een van de tochten lag er veel natte klei op de weg. Die klei zorgde voor een verstopte radiateur. Ik dacht slim te zijn door die modder met een hogedrukreiniger te verwijderen. Dat lukte, maar de rekening kwam pas later. Tijdens een rit in de Pyreneeën liep de motor telkens warm. Bij de dealer kreeg ik de vreemde reactie dat ik dan maar niet zo hard moest rijden. Tja, ik heb niet voor niets een ZZR1400 gekocht. Later kwam ik er zelf achter dat de lamellen van de radiateur door de krachtige waterstraal van de hogedrukreiniger waren beschadigd. Hierdoor was er veel minder koeloppervlak. Vervanging van de radiateur ging me 1200 euro kosten. Dat vond ik nogal gortig. Bij Motorcentrum Deventer werd de klus voor 800 euro geklaard. Vanaf dat moment ben ik daar klant gebleven.’
1 van 4
Remvloeistofcontrole van de achterrem.
De remschijven voor zijn twee keer vervangen, de binnenvorkpoten één keer.
Quickshifter gemonteerd op de manier zoals Henri dat wil.
Eigenbouw rekje voor topkoffer.
Drukstift
In de winter, wanneer de Kawasaki niet wordt gebruikt, krijgt de ZZR1400 zijn jaarlijkse beurt. ‘Voor aanvang van de winter haal ik al het kuipwerk van de motor. Ik kan dan overal goed bij om alles schoon te maken. En als dat werk erop zit, breng ik de motor op een aanhanger “kaal” naar de motorzaak waar de motor dan zijn beurt krijgt. Dat scheelt kosten, maar dat is niet de enige reden waarom ik het zo doe. Dat poetsen in de wintermaanden vind ik gewoon leuk om te doen.’
Heb jij ook een marathonmotor?
Heeft jouw motor ook een respectabele kilometerstand bereikt en ken je de historie? Meld je dan aan voor een grondige inspectie door onze specialisten! Stuur een e-mail aan marathonmotor@mpsadventure.nl met je contactgegevens en informatie over je motor, zoals merk, type, bouwjaar en kilometerstand. Meer info is te vinden op mpsadventure.nl.
Voor echt dure verrassingen heeft de Kawasaki in 200.000 km nog niet gezorgd. ‘Dat de remschijven voor twee keer zijn vervangen, lijkt me niet meer dan normaal bij zo’n km-stand. Eén keer is er onder garantie tijdens een beurt iets vervangen. Dat betrof toen een terugroepactie in verband met de distributieketting en/of spanner. Dat is me toen niet helemaal duidelijk geworden. Met bijna 150.000 km op de teller waren de voorvorkkeerringen lek. Die lekkage hield verband met groeven in het chroom van de voorvorkpoten. Vandaar dat die ook vervangen moesten worden. Vorig jaar werkte de koppeling niet meer naar behoren. Controle van de koppelingsplaten leverde niets op. Het euvel bleek ’m te zitten in een versleten drukstift. Tientjeswerk.’
Rijden in de bergen is voor Henri Hulleman het mooiste dat er is.
Kawasaki ZZR1400 op de brug
Het was eind 2023 dat Henri Hulleman zich tot Marathonmotor richtte. Hij wilde graag een keer op bezoek komen, maar pas wanneer de teller van zijn ZZR1400 de twee ton was gepasseerd. Die twee ton werd afgelopen zomer bereikt, precies boven op de Stelviopas. ‘Dat was geen toeval, ik had het bewust zo uitgekiend’, aldus Hulleman. Na die mijlpaal kon er een bezoek worden gepland aan MOTO73-expert Van Sleeuwen. Vol trots — met recht, want de ZZR1400 ziet er nog uit als nieuw — geeft Henri zijn motor voor een proefrit even uit handen aan Van Sleeuwen. ‘Het is dat de kilometerteller niet liegt, anders zou ik zo aannemen dat er nog maar 50.000 km mee is gereden,’ is Van Sleeuwens eerste reactie. ‘Werkelijk alles voelt nog als nieuw.’
Eenmaal op de brug verandert dat beeld niet. Misschien een versleten balhoofdlager? Ook dat is niet aan de orde, al moet hier wel bij worden vermeld dat die lagers bij 88.000 km al eens zijn vervangen. De remschijven voor zijn net vervangen. Achter zit nog de originele schijf. Deze heeft in al die kilometers slechts 0,3 mm aan dikte verloren. ‘Kan haast niet anders, want ik gebruik die rem bijna nooit, hooguit in krappe haarspeldbochten’, aldus de eigenaar.
Iedere winter wordt de Kawasaki gestript en goed schoon gemaakt.
Alleen aan het rubber van de linker voetsteun en een paar schuurplekjes (leren pak) op de tank is te zien dat de motor is gebruikt. Het motorblok draait geruisloos. Henri: ‘Nog niet zo lang geleden heeft de motor op de Dynojetbank gestaan. Standaard is de ZZR1400 goed voor 190 pk, de mijne bleek zelfs goed voor 217 pk. Wellicht komt dat door de gemonteerde Power Commander en de Akrapovič-dempers.’
Bij een motor met twee ton op de teller mag je verwachten dat er toch wel iets te vinden is wat op zijn minst om aandacht vraagt. Maar niets van dit alles bij deze Kawasaki. Van Sleeuwen: ‘Nog maar weer eens een bewijs dat Kawasaki prima motoren bouwt en dat je met goed onderhoud heel lang plezier van je motor kunt hebben. Motorrijders doen hun machine meestal niet van de hand omdat de motor niet goed meer is, maar gewoon omdat ze weer eens wat anders willen rijden.’
Of dat laatste ook voor Henri Hulleman geldt? ‘Ik heb nog geen plannen om een andere Kawasaki te kopen. De Kawasaki Ninja H2 SX is mijn droommotor, maar ik heb het nog veel te goed naar mijn zin op de ZZR1400. Ik kan lezen en schrijven met deze machine en ik geniet nog iedere keer van dat “iets meer” wat deze motor te bieden heeft.’
Foto’s: Peter van der Sanden
Richtprijzen bij motorzaak
2006 ca. 6.000 euro 2007 ca. 6.200 euro 2008 ca. 6.400 euro 2009 ca. 6.600 euro 2010 ca. 7.500 euro 2011 ca. 8.500 euro
Gemonteerde accessoires
Akrapovič titanium uitlaat Garmin- en TomTom-navigatie Valbeveiliging Powercommander Quickshifter
Reparaties en problemen
45.000 km distributieketting en -spanner (garantie) en radiateur vervangen (hogedrukreiniger) 66.400 km voorwiellagers vervangen 53.520 km achterwiellagers vervangen 82.000 km accu vervangen 88.000 km balhoofdlagers en remschijven voor vervangen 141.000 km voorvorkkeerringen en binnenvoorvorkpoten vervangen 180.000 km accu vervangen 178.000 km voorspatbord vervangen (kettingslot) 181.000 km koelvloeistoftankje (lek) vervangen 183.000 km remschijven voor vervangen 193.000 km koppelingsstift vervangen
Kawasaki ZZR1400: goed om te weten
De Kawasaki ZZR1400 was voor het eerst te zien op de Tokyo Motorshow in 2005. De motor is ook bekend als Ninja ZX-14 of ZX-14R. Het was destijds Kawasaki’s sterkste motor die een top van 299 km/u kon halen. In 2006 kwam de ZZR1400 op de markt als opvolger van de ZZ-R1200. In 2006 en 2007 was het zelfs de krachtigste in serie gebouwde motorfiets. Vooral met dat doel is de ZZR1400 door Kawasaki gebouwd. De titel “snelste motorfiets” werd overgenomen van de Suzuki Hayabusa. De modellen gebouwd van 2006-2011 hadden een cilinderinhoud van 1352 cc, die van 2012 tot 2022 1441 cc. De komst van Euro 5-emissienorm zorgde voor het stopzetten van de productie in 2020.
Met je Kawasaki ZZR ben je welkom bij de Nederlandse Kawasaki ZZR Club (www.zzrclub.com). Het forum van de website is alleen toegankelijk voor leden. Aanmelden kan via een contactformulier.
Specificaties Kawasaki ZZR1400
Categorie
Details
Type
Vloeistofgekoelde viercilinder viertakt lijnmotor
Cilinderinhoud
1352 cc
Boring x Slag
84 x 65 mm
Kleppen per cilinder
4
Compressieverhouding
12,0:1
Carburatie
Injectie
Transmissie
Zesbak
Eindoverbrenging
Ketting
Prestaties
Maximum vermogen
190 pk bij 9.500 tpm
Maximum koppel
154 Nm bij 7.500 tpm
Rijwielgedeelte
Frame
Aluminium monocoque frame
Vering voor
Upsidedown telescoopvork
Vering achter
Uni-Trak monoschokdemper
Veerweg v/a
117/122 mm
Rem voor
Twee 310mm-schijven met vierzuigerklauw
Rem achter
250mm-schijf met tweezuigerklauw
Banden v/a
120/70-ZR17, 190/50-ZR17
Afmetingen
Gewicht
220 kg (droog)
Tankinhoud
22 liter
Zithoogte
800 mm
Wielbasis
1461 mm
Balhoofdhoek
23°
Naloop
94 mm
Als er niet met een groep wordt gereisd gaat de vakantie per camper naar een mooi motorgebied.
BMW heeft z’n GS-familie uitgebreid richting het A2-segment, met de gloednieuwe 2026 F 450 GS. Een lichte allroad die volgens de Duitsers even goed uit de voeten moet kunnen op asfalt als op onverhard. Onze man Jelle Verstaen was er op Sicilië als een van de eersten bij voor een grondige test in en rond het Parco dell’Etna, waar strak stuurwerk en losse ondergrond elkaar in sneltempo afwisselen. Meteen na afloop kregen we hem aan de lijn.
Motor.NL: Etna, Sicilië, een gloednieuwe GS… Dat klinkt alsof BMW z’n huiswerk heeft gedaan en de GS echt uit wil dagen.
Jelle Verstaen: “Dat klopt, en gelukkig maar. Als je wil bewijzen dat een motor meer is dan een brave A2-instapper, dan moet je ‘m ook ergens loslaten waar hij kleur moet bekennen. En dat deed de F 450 GS hier met verve. Rond de Etna krijg je alles op je bord: strak asfalt, aan gort gereden bergwegdek, korte snelle bochten, en stukken onverhard waar je meteen voelt of zo’n machine echt GS-genen heeft, of gewoon een stoere jas.”
BMW spreekt zelf over een ‘echte GS’ in de 48 pk-klasse. Da’s een behoorlijke claim.
“Klopt, maar op papier hebben ze wel wat argumenten. Deze F 450 GS is geen afgeleide, maar een volledig nieuw model. Hij weegt rijklaar 178 kilo, levert de volle 48 pk bij 8.750 toeren en 43 Nm bij 6.750 tpm, rolt op een 19-inch voorwiel en krijgt 180 mm veerweg voor- én achteraan. BMW mikt duidelijk op een motor die zowel voor A2-rijders als voor downsizers interessant moet zijn.”
Goed, dat is de theorie. Maar voel je dat lichte, toegankelijke karakter ook van zodra je erop kruipt?
“Ja, meteen. Dat is misschien nog de grootste troef van deze BMW: hij voelt niet intimiderend, maar ook nergens goedkoop of uitgekleed. De ergonomie is heel GS: breed stuur, rechtop zithouding, smalle taille, veel controle. Je hebt instant het gevoel dat je op een volwassen motor zetelt. Op asfalt stuurt hij licht en behoorlijk direct in, en rechtstaand op de steunen voelt hij compact genoeg om ook op onverhard niet tegen te spartelen.”
Het blok is een volledig nieuwe paralleltwin. Geen halve boxerfantasieën dus?
“Nee, gelukkig niet. Het is een 420cc paralleltwin, vloeistofgekoeld, met krukastappen die 135 graden uit elkaar liggen. Dat laatste geeft ‘m net wat meer karakter dan je bij zo’n brave middenklasser misschien zou verwachten. Hij klinkt levendiger, voelt mechanisch niet steriel aan, en BMW heeft tegelijk de trillingen mooi binnen de perken gehouden. Het is geen agressief blok, maar wel eentje dat gewillig oppikt en net genoeg beleving meegeeft om niet als gemuilkorfde A2-kost te voelen.”
Waar rendeert dat blok het best? Op een bergweg, of eerder als je het stof induikt?
“Allebei, maar telkens op een andere manier. Op de weg valt vooral op hoe soepel en voorspelbaar die twin z’n vermogen opbouwt. Je hoeft ‘m niet constant de nek om te wringen om tempo te maken. Offroad is dat minstens even belangrijk: een zachte, goed doseerbare gasreactie en genoeg koppel onderin zijn daar veel nuttiger dan een piekerige top-end. In die zin past dat blok perfect bij het concept. De 2026 BMW F 450 GS wil niet imponeren met piekvermogen, maar met bruikbaarheid.”
BMW pakt ook uit met een Easy Ride Clutch. Marketinggimmick, of echt nuttig?
“Dat is een van de interessantste dingen aan deze motor. Die Easy Ride Clutch is eigenlijk een doorgedreven centrifugaalkoppeling, die het handmatig koppelingswerk grotendeels wegneemt. Je klikt ‘m bij vertrek met de koppeling ingetrokken in z’n één, en vervolgens heb je die niet meer nodig. Wegbollen, stapvoets manoeuvreren, gepruts op losse ondergrond: dat gaat allemaal een pak ontspannener. BMW heeft het systeem zo opgebouwd dat de motorrem behouden blijft tot net voor stilstand, waardoor het niet onnatuurlijk aanvoelt. Op gladde of technische stroken geeft dat wel degelijk extra rust. Het vergt aanvankelijk wat gewenning, maar is wat ons betreft zeker een troef – zowel voor minder ervaren rijders, als voor wie meer kilometers onder de riem heeft. Een soort quickshifter 2.0.”
Dus BMW mikt niet alleen op doorgewinterde offroaders?
“Nee, totaal niet. Dat is net het slimme eraan. Deze motor probeert twee groepen tegelijk aan te spreken: wie vanuit A2 of lichtere motoren komt, én wie het stilaan gehad heeft met zware ketels. Die eerste krijgt een premium ogende allroad die niet afschrikt. Die tweede een lichte, behendige machine waarmee je opnieuw wat speelser gaat rijden. En eerlijk: op zo’n Siciliaanse bergwegen snap ik dat downsizingverhaal best goed.”
Hoe zit het met de ophanging? Want daar sneuvelen veel lichte allroads zodra het tempo de hoogte in gaat.
“De ophanging is prima! De F 450 GS kreeg een 43mm KYB UPSD-vork en een KYB-monoshock aangemeten, met 180 mm veerweg aan beide kanten. In de Sport- en Trophy-uitvoering is de vork ook instelbaar op ingaande en uitgaande demping. Wat vooral opvalt, is dat BMW een goede middenweg gevonden heeft tussen comfort en controle. Op kapot asfalt blijft hij netjes kalm, en op onverhard heb je voldoende reserve zonder dat hij op de weg begint te deinen. En geen enkele doorklapper gehad. Dat hoort ook zo op een GS, natuurlijk.”
En remmen, elektronica, andere snufjes?
“Da’s dik in orde. ABS Pro, DBC, tractiecontrole en motorremregeling zitten standaard op de motor, samen met de rijmodi Rain, Road en Enduro. Op de Trophy komt daar Enduro Pro bij. In de praktijk merk je vooral dat de elektronica niet overdreven op de voorgrond treedt. Ze is er wanneer nodig, maar laat genoeg bewegingsvrijheid om de motor niet dood te filteren. De BMW-gemerkte vierzuigerklauw vooraan voelt ook volwassen aan voor zo’n lichte machine.”
Welke versie zou jij nemen?
“De Trophy heeft toch m’n voorkeur. Die krijgt onder meer de sportophanging, een rallyruitje, aluminium carterbescherming en die Easy Ride Clutch standaard mee. En laat ons eerlijk zijn: als je dan toch in de schaduw van de Etna gaat spelen, mag het ook een beetje potig ogen. Al zal de basisversie vermoedelijk al meer dan genoeg motor bieden voor de meeste lezers.”
Samengevat: is dit een instap-GS, of een echte-GS?
“Dat tweede, zonder twijfel. BMW heeft namelijk niet zomaar een lichtere motor gebouwd met GS-stickertjes op. De F 450 GS voelt als een doordachte, moderne allroad die toegankelijk is zonder saai te worden. Licht, bruikbaar, degelijk uitgerust en met genoeg offroadpotentie om de naam te verantwoorden. Als het doel was om een serieuze referentie in het A2-adventuresegment neer te zetten, dan zijn ze daar met vlag en wimpel in geslaagd!”
En nu?
“Nu eerst even het vulkaanstof uit m’n helm tikken. En dan zien of Sicilië hier ergens iets koud heeft staan.”
Na eerdere valse CJIB-mails uit naam van ‘Geerlings & Hofstede’ zijn er opnieuw oplichtingspogingen. Veel mensen, waaronder onze collega Maikel, hebben de afgelopen dagen een valse e-mail ontvangen over een achterstallige betaling. Dit keer zou het CJIB ‘zelf’ een aanmaning hebben gestuurd. Ook het programma Opgelicht?! heeft meerdere meldingen ontvangen en besteedt aandacht aan dit probleem, inclusief handige tips.
Blijf alert voor deze vorm van oplichting en klik nergens op!
Het Internationaal Energieagentschap (IEA) waarschuwt voor een naderende energiecrisis en vraagt overheden en burgers om maatregelen te nemen tegen de stijgende olie- en gasprijzen zolang het conflict in het Midden-Oosten voortduurt. De organisatie adviseert bijvoorbeeld vaker thuis te werken om brandstof te besparen. Heeft dit ook invloed op jou als motorrijder? Ga jij je motor nu eerder laten staan?
Om verdere schade te beperken, heeft het agentschap een aantal directe acties voorgesteld. Zo zouden landen de maximumsnelheid op snelwegen met tien kilometer per uur kunnen verlagen, autodelen en het gebruik van openbaar vervoer stimuleren en vliegreizen vermijden wanneer andere opties beschikbaar zijn.
In een poging de markten te stabiliseren, hebben de 32 IEA-lidstaten, waaronder Nederland, meer dan vierhonderd miljoen vaten olie vrijgegeven uit hun reserves – de grootste vrijgave in de geschiedenis van de organisatie. Ondanks deze actie blijven de prijzen stijgen door de voortdurende oorlog.
Hoe ga jij als motorrijder hiermee om?
Wij zijn benieuwd hoe jij als motorrijder met deze situatie omgaat. Laat je je motor staan of ga je deze juist meer gebruiken en laat je de auto staan? Laat het ons weten in het onderstaande formulier. Kost je nog geen minuut!
Bihr zet per 31 maart 2026 een strategische stap door de distributie van het merk D.I.D te beëindigen en exclusief verder te gaan met EK Ketting (Enuma Chain – Japan). Daarmee wil de groep een duidelijker en exclusiever premiumaanbod neerzetten in heel Europa.
EK Ketting, opgericht in 1941 in Kaga, Japan, staat bekend om innovatie en betrouwbaarheid. Het merk introduceerde in 1974 de allereerste O-Ring motorfietsketting – een technologie die sindsdien wereldstandaard is. Met pijlers als Japanse kwaliteit, prestaties, duurzaamheid en geavanceerde technologie richt EK zich op rijders die maximale efficiëntie eisen.
De kettingen bewezen hun kracht op topniveau, onder meer bij de Isle of Man Tourist Trophy en de Enduropale du Touquet. Dankzij technologische innovaties als de ThreeD® Serie, NX-Ring afdichtingen en de SLJ schroefkoppeling biedt EK een combinatie van lage wrijving, hoog rendement en gebruiksvriendelijkheid.
De exclusieve samenwerking met Bihr vergroot niet alleen de zichtbaarheid van EK in Europa, maar markeert ook Bihrs focus op controle, consistentie en langdurig partnerschap in het premiumsegment.
RFX heeft de SmartFilm® gepresenteerd, een innovatieve beschermlaag voor lenzen die is ontwikkeld voor de zware omstandigheden van motorsport en extreem gebruik. De film bestaat uit een geavanceerde 6-laags constructie met de exclusieve HISC™ (High Impact Surface Coating)-technologie. Deze waterafstotende coating, getest op slijtvastheid met staalwol, zorgt voor uitzonderlijke krasbestendigheid en langdurige optische helderheid.
SmartFilm® houdt brillen en vizieren langer helder, zelfs onder extreme omstandigheden zoals stof, zand en regen. Daarmee biedt RFX een duurzamer alternatief voor wegwerp lensbeschermers – een kleine, maar betekenisvolle stap tegen single-use plastics in de motorsportwereld.
Belangrijkste kenmerken
Geavanceerde 6-laags technologie
High-impact oppervlaktecoating (HISC™)
Hydrofobe en krasbestendige eigenschappen
Universele pasvorm
Verpakt per drie stuks
Daarnaast introduceert RFX de GoPro SmartFilm®, speciaal ontworpen voor GoPro Hero-modellen. Deze variant beschermt camera-lenzen tegen vuil en schade zonder vervorming van beeld of kleur. Dankzij dezelfde 6-laags technologie en sterke coating blijft beeldmateriaal ook in extreme omstandigheden scherp en helder.
Net als olie in je blok zorgen cookies ervoor dat alles soepel loopt. We gebruiken ze om de website goed te laten werken en je de beste ervaring te bieden. Door verder te gaan, geef je toestemming voor het gebruik van cookies.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.