zondag 24 mei 2026
Home Blog Pagina 1012

Michael van der Mark: Het waarom achter de overstap naar BMW

2
Michael van der Mark naar BMW

Waar iedereen – inclusief zijn werkgever – dacht dat Michael van der Mark in 2021 bij Yamaha zou blijven, werd begin juli bekend dat hij deze winter overstapt naar het BMW Motorrad WorldSBK Team. Waarom? MotorNL-sportcoördinator Marien Cahuzak ging op onderzoek uit en dat zorgt voor antwoorden op veel vragen die VDM vanwege contractverplichtingen zelf nog niet mag geven.

Direct nadat Yamaha het persbericht had verstuurd waarin duidelijk werd dat Michael van der Mark hen gaat verlaten, begon de wereldwijde zoektocht naar het waarom hiervan. Niet in de laatste plaats omdat Yamaha – zoals gebruikelijk bij dit soort aankondigen – er zelf met geen woord over sprak en Michael niet aan het woord liet. Uiteraard hebben wij zowel contact gehad met Van der Mark als met zijn manager Laurens Klein Koerkamp, maar beiden mogen of willen voorlopig niets zeggen omdat VDM nog een Yamaha-contract heeft tot eind dit jaar. Dat is uiteraard voor ons veel te lang om op te wachten. Gelukkig wordt er met een heldere analyse veel duidelijk.

Yamaha en Michael van der Mark gaan einde seizoen uit elkaar

Insiders

Met drie WorldSBK-zeges en twee overwinningen tijdens de Acht uren van Suzuka mag duidelijk zijn dat Michael niet zomaar iemand is binnen Yamaha. Dat weet hij zelf als allerbeste en zo’n positie geef je natuurlijk niet zomaar op. Aan de andere kant, als WK Supersport-kampioen en eveneens tweevoudig Suzuka-winnaar had hij bij Honda, zijn vorige werkgever, een min of meer vergelijkbare status opgebouwd. Toen duidelijk werd dat er bij Honda niet zoveel toekomst voor hem was, durfde hij de stap voor een nieuwe uitdaging te maken. Kijkend naar de situatie bij Yamaha zijn er enige paralellen uit zijn Honda-tijd te vinden, ook al staat de 2020 R1 duidelijk op een veel hoger niveau dan de Fireblade van een paar jaar geleden. Of het hoog genoeg is om mee te kunnen in het geweld van Ducati en Kawasaki is dan weer een andere vraag. Michael en Yamaha zitten er al een tijd heel dicht tegenaan – anders win je echt geen wedstrijden in het WorldSBK – maar of de laatste, meest ingewikkelde stap gemaakt kan worden, is de vraag. Zeker met de onzekerheid die corona met zich meebrengt. Midden 2019 kreeg de R1 de laatste update(tje) en het is onwaarschijnlijk dat er snel weer een update aankomt. De gevolgen van corona zijn groot bij Yamaha. Volgens veel insiders heeft de BMW S1000RR het potentieel om mee te kunnen met Kawasaki en Ducati en Michael lijkt dus één van die insiders te zijn.

Budget

Maar er spelen meer dingen binnen Yamaha. Zo start er dit jaar geen officieel team tijdens de Acht uren van Suzuka, waardoor Michael niet eens een kans krijgt op een mogelijk vijfde zege. De reden? Vanuit Japan ligt de focus volledig op de MotoGP. Dat is uiteraard een logische keuze, maar vertaal je dat naar het WorldSBK-project is het nog maar de vraag wat die keuze voor gevolgen heeft voor Pata Yamaha. In gesprek met het betrouwbare gpone.com liet SBK-projectleider Andrea Dosoli weten dat ze, binnen de budgettaire mogelijkheden van Yamaha, Van der Mark een maximaal voorstel hadden gedaan voor 2021. Het een publiekelijk paddock-geheim dat BMW flink wat budget over heeft voor het WorldSBK-project. Ook qua technisch personeel, zoals ze eerder al deden. Bovendien zijn ze ook budgetten gewend vanuit de autosport en die liggen vaak ‘net ietsje’ hoger.

MotoGP

Binnen BMW ligt de focus daarnaast volledig ligt op het WorldSBK, net als dat bij Kawasaki het geval is. Bij Yamaha is dat dus absoluut niet het geval en dat geeft qua denkwijze grote verschillen. Yamaha ziet het WorldSBK-project ook als een mogelijke opstap naar de MotoGP, één van de redenen waarom Michael een paar jaar geleden Honda verliet. Met de keus voor BMW laat Michael daarmee dus indirect ook een ingang naar de MotoGP los, al moet je ook realistisch zijn dat die overstap er waarschijnlijk niet zou inzitten. Zeker niet omdat de vier jaar jongere Toprak Razgatlıoğlu, zijn nieuwe teamgenoot, waarschijnlijk eerder die kans krijgt, kijkend naar de denkwijze van Yamaha. Dat de MotoGP binnen Yamaha veel belangrijker is, vertaald zich overigens niet alleen door naar de rijders. In 2018 werd de belangrijke data-engineer Michele Gadda van het Superbike-project weggehaald om het toen zwalkende MotoGP-fabrieksteam van Yamaha te ondersteunen.

Vragen, vragen, vragen…

Opvallend is dat er in het persbericht van BMW enkel gesproken wordt over 2021. Let wel, dit wil niet zeggen dat Michael slechts een eenjarig contract getekend heeft. Iets dat ook niet zou passen in de denkwijze van Michael en ook niet in die van zijn manager Laurens Klein Koerkamp. Opvallend is het niet de eerste keer dat er niet gesproken wordt over de contractduur. Eerder verlengde Rea zijn Kawasaki-contract voor ‘meerdere seizoenen’. Ook is het nog onduidelijk hoe de technische staf eruit gaat zijn rondom VDM bij BMW. Sinds deze winter is tweevoudig Supersport-wereldkampioen Andrew Pitt zijn crewchief nadat hij een aantal jaren had gewerkt met Lez Pearson.

Toprak

Dat de interne politiek binnen Yamaha een rol gespeeld heeft voor Van der Mark’s keuze, werd door Paul Denning op Twitter ontkent. Geruchten melden al langer dat het niet helemaal lekker loopt tussen Andrea Dosoli en Denning, teameigenaar van Crescent Racing, het team dat Pata Yamaha ‘runt’. Volgens velen zou ook de komst van Toprak een rol spelen bij de beslissing van Michael om Yamaha te verlaten. Een wat voorbarige conclusie na slechts een wedstrijdweekeinde, op bovendien Phillip Island dat zou uniek is dat het zelden een goede graadmeter is. Daarnaast is Michael inmiddels 27 en dan ben je zelden nog wel de underdog. Iets wat hij wel was als teamgenoot van Sylvain Guintoli en Nicky Hayden terwijl hij met Alex Lowes op min of meer gelijke voet stond. Dat Toprak direct won op de R1 kwam uiteraard hard aan, zoals verlies bij elke sportman lastig is, maar Michael stapt echt niet naar BMW over omdat hij weet dat hij daar een mindere teamgenoot zal hebben… En om wereldkampioen te worden moet je iedereen – dus ook Toprak – verslaan. Iets dat Michael al eerder liet weten aan MotorNL.

Ideale herstart

Er zullen voor Michael komend jaar hoe dan ook voldoende uitdagingen zijn. Afgelopen jaar eindigde BMW als vierde in de constructeursstand met 249 punten, 202 stuks minder dan Yamaha. Tom Sykes parkeerde de S1000RR in 2019 wel vier keer op het podium. Begin dit jaar pakte hij ook de pole op Phillip Island. Of Sykes blijft in 2021 is echter nog zeer onduidelijk. Dat zelfde geldt voor zijn huidig teamgenoot Eugene Laverty. BMW heeft daar met nog geen woord over gesproken en dat geldt ook voor Yamaha over de vacante-plek door het vertrek van Michael. Het maakt de rijdersmarkt er niet minder spannend om in ieder geval.

Voor Michael zijn eerste meters op de S1000RR rijdt, staan er eerst nog een heel aantal belangrijke Yamaha-afspraken voor hem. De knop bij Michael moet dus snel weer om en dat is waarschijnlijk waarom het nieuws over BMW nu naar buiten gebracht is. Iedereen heeft duidelijkheid, zodat de focus volledig op 2020 kan liggen. Kijkend naar het huidige pakket van Michael kan zijn afscheidstournee voor Yamaha erg leuk wordden. Niet in de laatste plaats omdat de herstart op Jerez plaatsvindt en een week later Portimao aan de beurt is. Twee circuits waar Michael bijzonder graag rijdt!

Het WorldSBK-verhaal van BMW

BMW keerde in 2019 na een aantal jaar afwezigheid officieel terug in het WorldSBK, in samenwerking met Shaun Muir Racing. BMW is daarbij verantwoordelijk voor blok, elektronica, chassis en aerodynamica, Muir voor de praktische invulling van het project. Eerder probeerde BMW het ook al in het WK Superbike, maar dat project werd in 2013 gestopt. Opvallend genoeg had dat weinig met de racerij zelf te maken, maar het resultaat van een verlegde focus. Onder andere om zich te richten op groeimarkten als Brazilië en Azië en e-mobiliteit. Met de komst van een nieuwe S1000RR, eind 2018, kwam die focus gelukkig ook weer te liggen op het WorldSBK.

Etalage: Leren motorjacks

0
leren motorjacks

Een leren jack kun je altijd dragen op de motor, zeker als je in het bezit bent van een gave retrofiets of een mooie klassieker. Een stoere jas mag dus zeker niet ontbreken in jouw motorgarderobe. Heb je die nog niet of is jouw huidige exemplaar aan vervanging toe? Dat komt goed uit, want wij zochten negen verschillende leren motorjacks bij elkaar.

Rev’It Huntington

Retro wordt serieus genomen door de Nederlandse motorkledingfabrikant Rev’It en dat zie je ook terug aan de Huntington. Dit leren jack heeft een speciale nabehandeling ondergaan, waardoor het rundleer zeer soepel en zacht aanvoelt. De bescherming is onder meer afkomstig van de CE-goedgekeurde Seesmart-protectoren, die je aantreft op de schouders en ellebogen. Om de Huntington ook geschikt te maken voor de wat koudere dagen krijg je er een uitneembare mouwloze thermovoering bij. De maatvoering loopt van 46 tot en met 58. De prijs is € 499,99.

www.revitsport.com

Rev’It
Rev’It Huntington bruin
Rev’It
Rev’It Huntington zwart

Spidi Vintage

Ook het Italiaanse Spidi heeft een retrolijn, waarvan deze Vintage onderdeel uitmaakt. Dit modieuze jack maakt gebruik van 1,0 tot 1,2 millimeter dik rundleer en heeft een goede pasvorm. Aan de binnenzijde tref je een katoenen voering aan en een uitneembaar thermovest. Op die manier kun je deze Spidi haast het gehele jaar gebruiken. Extra bescherming vind je op schouders en ellebogen, dankzij de Warrior Lite-protectoren. De Spidi Vintage is te koop in drie verschillende kleurstellingen: black, ice/black en brown/ice. Ook vrouwen kunnen overigens de Vintage aanschaffen, want er is een speciale versie voor hen. Dit jack kost € 499,90 en is te koop in de maten 46 tot en met 58

www.spidi.com

Spidi Vintage
Spidi Vintage

iXS Classic Nick

Even net wat anders, mede te danken aan de hoge kraag. De Classic Nick van iXS is gemaakt van zacht rundleer en heeft aan de binnenzijde een ademende mesh-voering. Uiteraard beschikt de Nick over extra bescherming op de ellebogen en schouders. Er is voldoende ruimte om wat kleine spullen op te bergen, want in totaal beschik je over maar liefst zeven zakken. Deze iXS is te koop in bruin of zwart voor de prijs van € 399,95. De maatvoering loopt van 48 tot en met 60.

www.moto.ixs.com

iXS Classic Nick
iXS Classic Nick

Bering Morton

Vanuit Frankrijk komt deze Morton van Bering. Het jack heeft een klassiek ontwerp, waarbij buffelleer is gebruikt. De elleboogprotectors zijn verstelbaar, terwijl je ook extra bescherming vindt bij de schouders. Verder is de Morton voorzien van een thermovoering, die je er ook uit kunt halen. Lekker in de zomer, met name ook omdat dit jack is voorzien van perforatie. De jas is te koop in de maten S tot en met 4XL. De prijs is vastgesteld op € 429,90.

www.trophymotorsport.nl

Bering Morton Lady
Bering Morton Lady
Bering Morton Man
Bering Morton Man

RST Brandish

De Isle of Man TT kent een rijke historie en daar maakt RST handig gebruik van met een speciale TT-collectie. In deze retrolijn zit onder meer de Brandish. Dit jack is gemaakt van rundleer en beschikt over stevige protectoren op schouders en ellebogen. Aan de binnenzijde vind je een satijnen voering, die heerlijk zacht aanvoelt. Naast twee buitenzakken beschik je ook over een binnenzak. De RST Brandish kost € 369,-. Hij is beschikbaar in de maten S tot en met 4XL.

www.bihr.eu

RST Brandish

Motogirl Valerie

Misschien een minder bekend merk, maar het is wel verrassend dat een fabrikant zich volledig toelegt op motorkleding voor vrouwen. De naam Motogirl verraadt dat natuurlijk ook al wel. In de leercollectie heeft het Engelse bedrijf de Valerie, een modieus jack dat ook zeer goed scoort op het gebied van bescherming. Motogirl gebruikt namelijk CE level 2-goedgekeurde protectoren op schouders, ellebogen en rug. De binnenvoering is er gemakkelijk uit te halen en dat is natuurlijk ideaal voor de zomerse dagen. De Valerie is verkrijgbaar in rood, geel en zwart voor € 279,95. De maatvoering loopt van XS tot en met 2XL.

www.jhsports.nl

Motogirl Valerie
Motogirl Valerie

Grand Canyon Colby

Wil je wat meer opvallen met je leren jack, dan kun je bij Grand Canyon terecht. Dat merk verkoopt namelijk de Colby, die gebruikmaakt van oranje accenten. Die kleur vind je ook terug aan de binnenzijde, want de zijden voering is in dezelfde kleur uitgevoerd. Het buffelleer is verder afgewerkt met een grijze vintage-look, terwijl de extra bescherming afkomstig is van soft-memory-CE-protectoren. Die vind je op ellebogen, schouders en rug. Er zijn ook voldoende opbergmogelijkheden, aangezien de Colby beschikt over zes zakken. De jas kost € 259,- en is te koop in de maten 48 tot en met 64.

www.grandcanyonbike.eu

Grand Canyon Colby
Grand Canyon Colby

Hevik Black Café

Italië is vele motorkledingmerken rijk. Redelijk onbekend is Hevik, maar toch heeft dat een flinke collectie voor je klaarliggen. Zo ook de Black Café. Dit leren jack heeft een simpel ontwerp en oogt daardoor gelijk retro. Het volnerf-rundleer heeft een specifieke nabehandeling gekregen, waardoor het extra zacht aanvoelt. Het jack van Hevik is perfect geschikt voor warme dagen, want het is op verschillende vlakken geperforeerd. Overigens beschikt de Black Café ook over een uitritsbare thermovoering. Standaard wordt de Hevik geleverd met Safe-Tech-protectoren op schouders en ellebogen. De prijs van de jas is 349,90 en de beschikbare maten lopen uiteen van XS tot en met 3XL.

www.rad.eu

Hevik Black Café
Hevik Black Café

Blauer Charlie

Waarschijnlijk zullen genoeg vrouwen gelijk verliefd worden op deze Charlie. Dit leren jack van Blauer beschikt namelijk over een modieus ontwerp, waarbij goed gebruik is gemaakt van de kleuren. Naast deze blauw-witte variant is er overigens ook nog een zwart-groene versie. De Charlie is gemaakt van rundleer en de extra bescherming vind je terug op schouders en ellebogen. De jas is voorbereid op het gebruik van een optionele rugprotector. De Blauer Charlie kost € 369,95, terwijl de maatvoering uiteenloopt van XS tot en met XL.

www.xtravus.com

Blauer Charlie
Blauer Charlie

De 10 mooiste Alpenpassen

5

Een toertocht over de tien hoogste, geasfalteerde Alpenpassen, dat is zelfs voor oude knarren een genoegen. Voor jonge broekjes zonder ervaring met bergrijden is het een uitdaging van jewelste.

‘Van mijn rijbewijs is de rijschool niet rijk geworden’, lacht Lino. Zijn eerste motorfiets kocht hij voor 2.000 euro op Marktplaats. Het was een Transalpje met 32.000 kilometer op de klok, maar het was eerder een catastrofe dan een koopje. ‘Ze hebben me een poot uitgedraaid, ik moest er nog 1.000 euro instoppen voor ik ermee kon rijden. De vorige eigenaar had aan de remzuigers gebeund’, vertelt de 28-jarige Tilburger. Zijn rode Alpje heeft er inmiddels 50.000 kilometer opzitten, voornamelijk door het dagelijkse woon-werkverkeer, maar ook door een lange trip naar de kaap Finisterre in Spanje.

Nu zijn we echter in het Zwitserse hotel St Luzisteig en nemen de plannen voor de komende dagen door. Voor Lino voelt dat alsof het in september al Kerst is nu hij de kans krijgt om op de ietwat komische nazaat van de bejaarde Transalp, een nieuwe Africa Twin, dichter bij de hemel te komen. Dat alles op een toertocht over de tien hoogste Alpenpassen, die hij gaandeweg geheel subjectief in vier verschillende categorieën zal verdelen. De hoogte zegt daarbij lang niet alles. Het resultaat zie je aan het einde van dit verhaal.

Colle della Lombarda

De eerste test krijgt deze nieuweling, die thuis nauwelijks bochten tegenkomt, iets eerder voor zijn kiezen dan we hadden gedacht, namelijk al op de Colle della Lombarda, de start van ons alpinistische pretpark. ‘Nou, ik hoop dat we geen tegenliggers krijgen’, denkt de rijder, die al wat meer kilometers op zijn harde schijf heeft opgeslagen en die in zijn achteruitkijkspiegel ziet hoe er wordt geworsteld met het insturen en het uitkomen van de krappe haarspeldbochten naar de bergtop. In vergelijking daarmee zijn de onoverzichtelijke bochten van de Col de la Bonette, die met een hoogte van 2.705 meter op de vierde plaats van mijn top-tien staat, redelijk relaxed. Nog ietsje hoger is de fenomenale panorama-rondweg op de Bonette, met als meest markante punt de ‘Menhir’ op 2.802 meter. Lino: ‘Een mooi begin met een weidse blik op het dal en een indrukwekkende natuur, de tegenstelling van de groene weiden, zoals in de Schotse hooglanden, met het ruige rotslandschap.’

Over dat landschap doet Petrus een uur later echter het licht uit. Wat je dan aan het firmament ziet glinsteren zijn niet altijd sterren, maar vaker de ramen van huizen. Voor plattelandsbewoners een ongewoon gezicht, maar het biedt troost. In Jausiers vinden we in het fantastische Le Val d´Ailleurs toch nog een overnachtingsplek. Dit hotel zal het weekend waarschijnlijk volgeboekt zijn, omdat dan het Alpen Adventure Motorfestival op de naburige Bacelonette plaatsvindt. Tja, als je dan nog een hotelkamer in de Alpen probeert te bemachtigen, is dat op zich al een avontuur.

Op de Col de Larche, alias Colle della Maddalena, passeert een hele troep motoren uit een district bij Maagdenburg – kenteken KO – als een zwerm horzels die een collectieve knock-out wil toedienen. Oké, de brede, Frans-Italiaanse grenspas biedt ook grenzeloos rijplezier. Wie wil daar nou de moraalridder uithangen als hij zelf zijn knieën uit kan steken. Het karakter van onze volgende kandidaat is totaal anders. Het is de Colle dei Morti, ook wel Colle Fauniera genoemd. Nooit van gehoord? Dan praten we je even bij. De weg, die van Demonte in Valle Stura omhoog de bergen inloopt, heeft zoveel bochten dat je je koffers beter in het hotel kunt laten. Schapen en andere mollige dames zeggen er goede nacht, terwijl de toch niet zo onsterfelijke Marco Pantani boven op de 2.481 meter hoge pas geheel versteend op zijn wielrenfiets zit. Lino: ‘Volgens de beschrijvingen is dit een bijzonder mooie pas. Daar is niets van gelogen, zolang je op de motor geen last hebt van “wagenziekte”.’

Regenpak

We stuiteren over bijzonder hobbelig asfalt naar beneden naar Valle Maira, waar we een pitstop maken bij het Pensione Ceaglio in Marmora. Het is zo’n schattig hoteldorpje, dat je er graag wat langer zou blijven. Helaas ontdekt ook de regen dat. Die wil niet meer weg. En dus krijgt Lino een echte vuurdoop in de Alpen. En wiens ego zo groot is dat hij alle kledingtips negeert en puur vertrouwt op impregneerspray, die moet niet raar staan te kijken als hij op de 2.744 meter hoge Italiaanse-Franse grenspas Colle Agnello bij 5° boven nul compleet bevroren constateert: ‘Het landschap is het mooiste tot nu toe, maar ik heb er steeds minder op gelet omdat ik steeds slechter ben gaan rijden, naarmate ik het kouder kreeg.’

Betere tijden staan ons echter te wachten in Hotel Guilazur in Chateau-Ville-Vieille, waar we een lekker biertje kunnen drinken. Het wordt nog beter als de hemel de volgende ochtend weer zo strakblauw is als het zadel van de Africa Twin. De eerste prioriteit is vervolgens om een bezoek te brengen aan Decathlon in Briançon, waar we een goedkoop regenpak aanschaffen voor over de motorkleding.

We rijden ook nog even over de extravagante, met ruwe rotsen bezaaide en ietwat surrealistische Col d’Izoard, hoewel die met zijn slechts 2.360 meter hoge pas niet eens in de top-tien staat. Daarna gaan we verder naar twee van de grootste Alpenpassen: de 2.645 meter hoge Col du Galibier en de Col de l’Iseran, die met 2.770 meter de top van de verzameling vertegenwoordigt. Achter deze zeven bergen bereikt de Ötztaler Gletscherstraße zelfs een hoogte van 2.835 meter. Daarmee is die hoger dan alle passen, maar strikt genomen is het geen pas en dus telt ze niet mee.

Lino heeft zich inmiddels prima aan de Alpenscene aangepast en rijdt op de Galibier heel ontspannen over de aanmoedigingsteksten voor de helden van de Tour de France, zoals Bernal, Thomas en Kruijswijk. Vervolgens poseert hij bij het schilderachtige tafereel van de Iseran voor een kiekje, zoals duizenden fietsers en motorrijders voor hem deden. ‘Motorrijden is geen rocket science, maar je moet het ook niet onderschatten’, zo vindt hij.

Verbindingsetappe

Pauze. We hebben de eerste vijf van onze top-tien er op zitten. Net als bij de Tour of de Giro volgt er nu een verbindingsetappe, omdat de andere passen zich veel verder naar het oosten bevinden. We rijden over de Colle del Piccolo San Bernardo, met een vers geasfalteerde noordhelling en draaien vervolgens bochten tot aan Aosta, waarna we dankzij een App en onze navigatie bij het vliegveld in het stadsdeel Quart het fraaie Hotel Petit Foyer vinden. Pal daarnaast bevindt zich het oer-Italiaanse Ristorante Des Amis, waar we nog wat te eten kunnen krijgen, haast zoals bij moeder thuis. Dan volgen we de snelweg van Milaan tot Bergamo, rijden langs het Lago d’Iseo en gaan door op de 42 door Val Camonica, waar de 300 in Ponte di Legno, vlak voor de Passo del Tonale, afbuigt naar Passo di Gavia. Daar eindigt onze snelle verbindingsroute en trappen we af voor de tweede helft.

Of de Gavia nu 2.618, 2.621 of 2.652 meter hoog is, daar zijn de diverse opgaven het niet over eens. Qua landschap en moeilijkheidsgraad komt hij echter behoorlijk hoog in onze top-tien. De Denzel, de grote ‘Alpenbijbel’, waarschuwt dat het in het dichte dennenbos onderaan het zuidelijke deel extreem glad kan zijn. Bovendien zijn er hellingspercentages van zestien procent en diverse vernauwingen van de toch al smalle straatjes. Er is zelfs een bocht waarbij je de andere haarspeldbochten kunt zien, zodat je de bochtentechniek van de collega’s kunt bestuderen. Boven op de top bij het gastvrije Rifugio Bonetta gaat alles en iedereen dat op twee wielen voorbijkomt op de rem voor een pauze, zodat de benen lekker los zijn, voordat men de tocht over de Stilfser Joch aanvangt.

Ahoi kapitein, vol stoom vooruit! Gas open, gas dicht, afschuinen en weer oprichten, kort op de rem, even het schakelpedaaltje aantippen, inhalen, of toch (nog) niet. Ook als Lino de 100 pk van de Honda niet werkelijk benut, is het afwisselende stuk van Bormio naar de Passo dello Stelvio, met in totaal 88 haarspeldbochten, de koning van de hairpins, terwijl hij met 2.763 meter de vicekampioen uit de top-tien is. Hij is echt te gek! Het parkeerstraatje boven op de pas is vaak nog drukker dan de Tilburgse kermis. Vlak bij de Stilfser Joch ligt bij de afslag naar Zwitserland ook de 2.503 meter hoge Umbrailpas. Hij is niet zo prominent als zijn buurman, maar is daarom ook minder druk en eveneens gezegend met een indrukwekkende reeks haarspeldbochten. ‘Ik snap dat mensen deze pas willen rijden, maar al die 180°-bochten worden op een gegeven moment wel eentonig. Alles herhaalt zich. Daardoor kom je niet in een lekkere flow terecht’, bekritiseert Lino de 48 legendarische, genummerde bochten op de noordhelling van de Stilfser Joch, als we beneden in Prad aankomen. En dan vinden we opnieuw op het nippertje een kamer, wat in Zuid-Tirol in een zonnig septemberweekend lastiger is dan het rijden van al die bergpassen.

Hemel op aarde

Heb je meegeteld? Er ontbreken nog twee kandidaten: de Timmelsjoch en de Großglockner. Voor beide geldt: ‘Je rijdt nooit alleen!’ Tegenwoordig geldt ook: ‘Wij zijn allemaal zondagsrijders.’ Kroaten met snelle Kawasaki’s of Noren met statige Adventures, daartussen nog een aantal door de onoverzichtelijke wegsituatie afgeremde Audi’s R8; ze trekken allemaal de berg op als gelovigen naar hun zondagsmis. Is de Timmelsjoch de hemel op aarde voor motorrijders? Lino op de 2.509 meter hoge pas: ‘Als het niet zo druk was, zou het hier fantastisch zijn. De afdaling was extra gaaf, totdat we tegen de volgende colonne aanreden.’

Als je tijd hebt, kun je hier aan de Oostenrijkse kant naar beneden rijden naar het tolstation, waar je het fenomenale Top Mountain Motorcycle Museum vindt. Daar kun je een verzameling van 230 historische motorfietsen bekijken.

Top Mountain Motorcycle Museum

Dit hoogste motorfietsmuseum in Europa bevindt zich op de Timmelsjoch in Hochgurgl. Daar kun je een verzameling van 230 historische motorfietsen bekijken. Het museum maakt onderdeel uit van Top Mountain Crosspoint dat ook een restaurant met zonneterras herbergt. Toegangsprijs museum: € 10,-. Openingstijden Museum & Restaurant: 9:00 – 17:30 uur. Informatie: info@crosspoint.tirol.

Wij maken al eerder rechtsomkeert en navigeren via de Jaufenpass, ook een gave pas waar je op zondagochtend nauwelijks een ziel tegenkomt, en het Pustertal (poeh, wat is die verbindingsroute E66 saai) naar de grote finale op de Großglockner. Het voordeel van een late aankomst: op de Großglockner – Hochalpenstrasse moet je tol betalen, maar vanaf zes uur betaal je een gereduceerd tarief van € 19,50 in plaats van € 26,50. Je mag tot 18.45 uur nog aan de rit beginnen. We snijden een stukje af via de Kaiser-Franz-Josefs-hoogte en rijden gelijk door naar de Fuster Torl en de 2.572 meter hoge Edelweißspitze. Lino: ‘Eindelijk weer eens een kilometerstand met drie cijfers op de klok, zo krijg je in ieder geval geen slapende rechterhand. En dan bovenaan dat betoverende landschap, alleen die kinderkopjes op de top van de Edelweißspitze zijn nogal tricky, daar heb ik persoonlijk al eens slechte ervaringen mee gehad.’

Ik vraag aan Lino wat hij van de hele Alpen-Toer vindt. ‘Een prachtige belevenis, heel anders dan bij het skiën vijf jaren geleden. Daar zie je niks van de omgeving behalve de vijftien hellingen, waarvoor je skipas geldig is. Wanneer je ooit zelf in de Alpen motor hebt gereden, weet je waarom mensen hierheen komen.’

Route

DOWNLOAD DE ROUTE ALS TRACK, GDB OF ROUTE

De topfavorieten van Lino

1. De Großglockner. ‘Daar kun je ’s avonds heerlijk knallen.’

2. Umbraipas. ‘De zuidhelling van de Umbraipas en de Stilfser Joch is geniaal.’

3. De Colle dei Morti. ‘Die is van een heel andere categorie. Je rijdt meestal maar zestig, maar krijgt daarvoor een prachtig landschap terug, waar nog maar weinig verstoord is.’

Reisinformatie

De reis naar de tien hoogste, geasfalteerde Alpenpassen leidt van Frankrijk tot Oostenrijk, dwars door het alpinistische pretpark. Rijplezier is daarbij gegarandeerd, zowel op de grote als de kleinere passen, die misschien niet zo prominent zijn, maar daardoor ook minder last hebben van verkeersdrukte. We reden in vijf dagen 1.500 kilometer.

Aanrijden

Vanaf, bijvoorbeeld, Rotterdam is het via Luxemburg, Bazel, Turijn en Cuneo ongeveer 1.250 kilometer tot aan Vinádio, de noordelijke basis van de Colle della Lombarda en het startpunt van deze reportage. Als alternatief kun je ook via Brussel, Dijon en Turijn rijden, dat is nauwelijks langer.

Reisperiode

Omdat sommige Alpenpassen in de winter vanwege sneeuw gesloten zijn, is deze reis doorgaans alleen mogelijk van juni tot september. In dit gebied heb je met veranderlijke weersomstandigheden te maken. Het is daarom aan te raden om behalve een warme trui ook een echt waterdichte outfit mee te nemen, van handschoenen tot aan laarzen.

Motorrijden

Haast net zo banaal als kledingtips: een Alpentoer is geen kinderfeestje. Leren door het te doen, oké – maar alleen als je rijervaring niet bij nul begint. Intensieve bergroutes vragen conditie, een zekere mate van voertuigbeheersing en kennis van bochtentechniek, terwijl ook respect voor de natuur en de plaatselijke bewoners om een defensieve rijstijl vragen.

Literatuur en Kaarten

Een speciale reisgids over de top 10 is ons niet bekend. Wie graag iets wil investeren in zijn volgende passentoer kan veel nuttige informatie vinden in de beschrijvingen van ongeveer 700 hoogtepunten in de „Großer Alpenstraßenführer“, Denzel-Verlag, 27e editie 44.25 bij Bol.com. Als wegenkaart kun je kiezen voor “Reise Know-How kaart Alpen”, 1:550000, scheur- en waterbestendig, Bruna 11,99 Euro”. Daarbij ter orientatie ter plaatse een verzameling kaarten van Frankrijk, Italië en Oostenrijk, het beste in schaal 1:20000 of 1:150000. 

Websites

www.france.fr/nl
www.enit.it
www.italia.it
www.austria.info/nl
www.alpenpass.com
www.alpenrouten.de

5x lekker slapen

Le Val d‘Ailleurs, tel: 00-33-658-19 29 92, www.jausiers.com/le-val-d-ailleurs—2ef5ff2i5yz2.html. Stijlvolle Bed & Breakfast, 25 kilometer ten noorden van Bonette, haast tegenover het Restaurant Le Chalet du Lac. Adres:75, route du Canton, F-04850 Jausiers.

Hotel Guilazur, tel: 00-33-492-46 74 09, www.queyrashotelguilazur.com. Hotel in F-05350 Château-Ville-Vieille aan de D5, op de Franse kant van de Col Agnel.

Hotel Petit Foyer, tel: 00-39-3487-46 36 56, www.hotelpetitfoyer.it. Fijn hotel, verscholen in een vlechtwerk van de straten van Zubring bij het vliegveld van Aosta, met daarnaast Ristorante Des Amis. Adres: Località Lillaz 3, I-11020 Quart AO.

Garni Appartement Wagnerhof, tel: 00-39-0473-96 71 42, www.wagnerhof.it. Grote kamers en een goed ontbijt, ligt ten westen van Meran aan de SS38. Adres: Vinschgauerstraße 12, I-39020 Rabland.

Edelweisshütte, tel: 00-43-65-45 74 25, www.edelweissspitze.at. Ligt bovenaan de Großglockner-Hochalpenstraße (A-5672 Fusch) met een grandioos zicht op 37 bergen van 3.700 meter.

Voor diegenen die liever spontaan onderweg zijn is een hotel-app als Booking.com onmisbaar!

Moto Guzzi V85 Black Eagle Concept door Oberdan Bezzi

0

Oberdan Bezzi heeft een interessant concept gemaakt, waarbij hij het erfgoed van een zekere motorfabriek in het Italiaanse Mandello del Lario als inspiratiebron gebruikt

We hebben het natuurlijk over Moto Guzzi en de motor in kwestie is een concept gebouwd op het V85-platform. We weten dat Moto Guzzi dat blok graag wil gebruiken in veel meer motorfietsen en niet alleen de huidige V85 TT Adventure-touring motor.

Het concept, de ‘Black Eagle’ genaamd, toont de luchtgekoelde 853 cc dwarse 90° V-twin in een sportief ontwerp. De motor heeft een tophalf, clip-ons, een solozitje en een nogal wat carbondelen. Met 80 pk zou deze middelzware motor een interessant model voor Moto Guzzi  kunnen zijn.

De plaatsing van de schokdemper achter is een beetje verontrustend. Het lijkt dat er geen progressieve link wordt gebruikt. En waar denkt Moto Guzzi gewicht te kunnen besparen. De V85 TT laat de wijzer van de weegschaal uitslaan naar 228 kilo. Maar war zou deze motor een geweldige opvolger kunnen zijn van de MGS-01.

Het V85-platform is een hit bij zowel Moto Guzzi-fans als nieuwkomers van het merk. Het zal dan ook interessant zijn om te zien hoe Moto Guzzi het succes van de V85 TT kunnen uitrollen in andere modellen… en wat zou dat volgende model kunnen zijn? Maar Moto Guzzi lijkt nu Piaggio’s historische merk te zijn. Of ze daar zitten te wachten op een sportmotor? De ‘Black Eagle’ zal ze toch minstens aan het denken zetten.

Meer van Oberdan Bezzi? Check Motosketches

Test Hyosung Bobber GV300S

0
Hyosung Bobber GV300S

Ken je nog dat oude reclamefilmpje van de Fiat Panda? In dat Italiaanse koekblikje lachte je zogenaamd iedereen uit. De commercial kwam als vanzelf opzetten op deze Hyosung Bobber GV300S en ik kreeg hem niet meer uit mijn hoofd.

Er bestaan ongetwijfeld hele motorrijdende volksstammen, die zich eerder uitgelachen voelen op een Hyosung Bobber GV300S dan dat ze iedereen uitlachen. Het is ook wel een koddig en niet-alledaags motorfietsje. Een lastig te plaatsen motor bovendien. Een matzwarte, goedkope Koreaanse V-twin van 296 cc in een wereld die wordt gedomineerd door glanzende dikke Amerikaanse twins. Een wereld waar volgens het bekende gezegde bovendien geen ‘substitute for cubic inches’ is.

Hyosung Bobber GV300S
TestlocatieHet Groene Hart
OmstandighedenLente op z’n best
Temperatuur19 graden
Testkilometers80
BijzonderhedenIntroductie nieuwe stijl; geen hordes motorjournalisten, maar een privé-introductie

Actieve zithouding

Dat van die cubic inches is mogelijk waar, maar er is eveneens geen substituut voor rijgemak. Een motorfiets die droog nog geen 170 kilo weegt, levert dat volop. De Hyosung Bobber GV300S verbaast – in verhouding tot zijn lage prijs – op veel vlakken en het stuurgedrag is er daar een van.

De zitpositie is een andere. Je verwacht het niet, maar de Koreaan zit beter dan verwacht. Mijn modale 1.80 meter past er goed op. De voetsteunen staan gelukkig niet extreem ver naar voren en ook het stuur staat op een logische plek. Het is niet de extreem ‘laid back’-houding van een gemiddelde vette bobber, maar een flink stukje actiever. Eerlijk gezegd een houding die ik prefereer boven de gebruikelijke passieve hangplek die bobbers bieden. Zou er dan toch een stukje Fiat Panda in deze Hyosung zitten?

Hyosung Aquila GV125S Bobber test

Helaas kopiëren de Koreanen wel een luchtfilter dat irritant in je been prikt. Wat ze niet kopiëren is de afwerkingsgraad van grote customs. Niet dat ze het niet kunnen, maar omdat het er bij een prijs van € 5.999,- simpelweg niet in zit. De lage prijs zie je terug aan rommelig weggewerkte slangen, onderdelen en reservoirs die recht in het oog vallen. Om ze wel onzichtbaar op de motor te monteren is een groter ontwikkelingsbudget noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor het kleurenschema. Wie op zoek is naar een glossy, duotone metallic dekje is aan het verkeerde adres. Net als de T-Ford komt de Hyosung Bobber GV300S alleen in het zwart.

Helaas kopiëren de Koreanen wel een luchtfilter dat irritant in je been prikt. Wat ze niet kopiëren is de afwerkingsgraad van grote customs. Niet dat ze het niet kunnen, maar omdat het er bij een prijs van € 5.999,- simpelweg niet in zit. De lage prijs zie je terug aan rommelig weggewerkte slangen, onderdelen en reservoirs die recht in het oog vallen. Om ze wel onzichtbaar op de motor te monteren is een groter ontwikkelingsbudget noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor het kleurenschema. Wie op zoek is naar een glossy, duotone metallic dekje is aan het verkeerde adres. Net als de T-Ford komt de Hyosung Bobber GV300S alleen in het zwart.

Hyosung Bobber GV300S
Waarom rijden we hem?

Allereerst zijn we benieuwd hoe een Koreaan rijdt. Ten tweede is de spoeling dun voor een A2-motorrijder wiens hart sneller klopt van bobbers en customs. Hoeveel Bobber mag hij/zij verwachten voor zesduizend euro?

Ontvangen met open armen

De schoonheid van de 60°-V-twin zit niet van buiten, maar van binnen. Het is opmerkelijk geinig rijden met een achtklepstwin van slechts 296 cc. Van laagtoerig rondploffen is absoluut geen sprake, wie vooruit wil moet gas geven. Bobberen nieuwe stijl is met het gas tegen de stuit richting rood. Bij 10.000 toeren is het over met de pret, bij 6.000 toeren in de zesde versnelling staat er 100 km/u op de teller. Dat is heel iets anders dan de gebruikelijke verbrandingsklap bij iedere lantaarnpaal, maar dit heeft ook beslist zijn charme. Voor een jeugdige motorrijder met een voorliefde voor customs kan ik me zelfs voorstellen dat het inspirerender werkt dan een tot 35 kW gecastreerde zware Amerikaan. Deze kleine donder heeft meer bravoure in zich dan je op voorhand verwacht en dat werkt inspirerend. De versnellingsbak, die met korte duidelijke tikken op- of afschakelt, werkt lekker mee bij de actieve rijstijl.

Waar 300cc-motoren vaak eencilinders hebben, is de Hyosung een multicilinder. Het levert hem een verrassende souplesse op. De mini-zuigertjes zetten het natuurlijk niet snel op een protesterend gebok. Het lukt zelfs om met de nodige koppelingslip een minirotonde in zesde versnelling te nemen. Vrij van vibraties is het blok niet, maar die zijn net zo klein als de zuigers en niet irritant. Dat is het oppakken vanaf volledig gesloten gas wel. De motor reageert dan aan/uit. Van dikke uitlaatklappen is met 296 cc natuurlijk geen sprake. De GV300S is eerder een piepertje dan een potato-potato-bullebak. Een geruststelling: dijkbewoners zullen je met open armen ontvangen.

Hyosung Bobber GV300S

Zowaar een echte bobber

Diezelfde dijkbewoner vervloekt je dan weer als je vonkentrekkend voor zijn neus langs komt vliegen. De grondspeling valt helemaal niet tegen voor een bobber, maar het sturen gaat zo makkelijk met deze lichtgewicht dat je al snel dieper en dieper de bocht induikt. En dat op banden van Timsun… Na het lezen van die merknaam op het rubber hield ik dat vertrouwen vooraf niet voor mogelijk. Het gemak van insturen is geweldig door het lage gewicht en het 16-inch voorwiel. Probeer dan maar eens niet te lachen. Op hoge snelheden sluipt er gemakkelijk iets van onrust in het rijwielgedeelte, maar nooit verontrustend. Het is wat dat betreft geen traditionele bobber, maar doe daar in het bochtenwerk je voordelen mee. Het kost door de actieve zithouding geen kracht om je schrap te zetten tegen de rijwind.

Bij de remmen is de GV300S zowaar net een echte bobber. Ze voldoen, maar het houdt niet over en het is raadzaam om altijd voor- en achterrem gelijktijdig te gebruiken. Ook bij de vering lijkt de Koreaan op een dikke bobber. Alles is nogal geënt op comfort. De vering opereert nog soepeler dan het blok. De vering strijkt grote oneffenheden met liefde plat. Kleine opeenvolgende bultjes verteert de voorvork minder, dan voelt het wat stuiterig aan. De vering is dus aan de slappe kant, maar voelt daardoor wel comfortabel op bobber-tempo.

Conclusie

Je kunt deze paradijsvogel beoordelen op alles wat hij niet is en dat is heel wat. Voor een bobber heeft hij geen moddervet blok, overdadig chroom, is hij niet loeizwaar en kost hij geen vermogen. Opmerkelijk genoeg kun je onmogelijk bezwaar hebben tegen minstens de helft van deze ‘nadelen’. Vooral de handelbaarheid moet beginnende of juist afbouwende motorrijders aanspreken. Deze bobber druk je – in tegenstelling tot het Amerikaans origineel – wel lachend aan de hand een garage uit. Het bochtenwerk verloopt ook stukken gemakkelijker. Als je overstapt van een zware jongen, pakt het rijgemak je zonder twijfel in, maar is het wennen aan de motorkarakteristiek. Zeg de vertrouwde potato-klappen maar gedag en verwelkom hoge toerentallen. Ze passen wel bij deze motorfiets. In het zadel van deze bobber voelt het niet onnatuurlijk om richting het rode gebied te gaan. Hoe klein en afwijkend ook, de Hyosung Bobber GV300S komt wel over als een homogene motorfiets waarbij motorblok en rijwielgedeelte hand in hand gaan. Als de bestuurder ook nog eens perfect in dat plaatje past, krijg je inderdaad een motorfiets waarmee je heel wat mensen uitlacht.

Prijs€ 5.999,-
Prijs België € 4.999,-
ImporteurMotomondo
Internethyosung-motors.nl
Hyosung Bobber GV300S

Ad van de Wiel: Ridders van de open knalpot

1
Ad van de Wiel

Laten we een spelletje spelen. Niemand kan de discussie in de media over lawaaimotoren zijn ontgaan. Dagbladen staan vol ingezonden brieven. Schrijfsels die bol staan van de verontwaardiging over decibel brakende motorrijders die het voor alles en iedereen verpesten. Uit welk medium komt volgens jou het volgende stukje tekst dat een lans voor motorrijders breekt?

‘Ook een uitzondering is – gelukkig! – het opnemende van kwaadaardige stukjes in dagbladen over motorfietsen en hun berijders. Zeker, er zijn nog enkele ridders van de open knalpot, maar dit zijn er steeds minder en bij de goede soort motorrijders zijn ze niet welkom. Dat een krant zonder enig commentaar een stukje opneemt, waarin alle motorfietsen als ‘duivelse brouwsels’ en ‘rustverscheurders’ uitgekreten worden, terwijl de schrijver hun berijders voorstelt als ‘de motormonsters’, die ‘de donder uit hun vurige bliksem jagen’, gaat toch een heel stuk te ver!’

Herman Brusselmans: Het einde van de twijfel

Deze heerlijke poëzie komt uit Weekblad MOTOR. Dat is niet zo spannend, wel het jaar waarin het te lezen viel: 1949. Het lawaaivraagstuk is dus van alle tijden en zeker niet exclusief voorbehouden aan tijden van pandemie. Motorrijders kregen in de loop der jaren bovendien ‘iets’ meer luisterend publiek. In 1949 had Nederland tien miljoen inwoners, het zijn er nu zeven miljoen meer. Bovendien hebben we tegenwoordig tienduizend manieren om onze mening te ventileren en dat gebeurt dan ook grif.

Voor- en tegenstanders ruziën dus al zeventig jaar over lawaaipijpen en we zijn nog geen stap verder. Toch zegt iets in me dat het binnenkort gebeurd kan zijn met lawaaipapagaaimotoren. Het ontbreekt de politie nog aan capaciteit, maar er is een breed maatschappelijk draagvlak om herriemakers aan te pakken. Het is een kwestie van tijd voordat het – net als in Duitsland – gaat gebeuren.

Is dat erg? Van het geluid van een klassieke driecilinder, V-twin of boxer die ongedempt het rechte eind van het circuit van Chimay opknalt, kan ik oprecht genieten. Een peloton Moto3-, Moto2- of MotoGP-motoren is goed voor kippenvel. Laat diezelfde ongedempte triple, V-twin of boxer echter langs mijn voordeur rijden en ik vervloek de ‘ridder van de open knalpot’ in het zadel. Vroeger niet hoor. Toen vond ik ‘duivelse brouwsels’ net zo schitterend op de openbare weg als op het circuit. De brave burgerman waart tegenwoordig blijkbaar in mij rond, want op straat vind ik het niet meer kunnen. Alle ingezonden brieven bewijzen dat ik niet de enige ben.

In het kader van ‘Choose your battle’ maak ik me wel sterk voor circuits. Het lijkt me vreselijk als we daar ook alleen naar fluisterbrommers moeten luisteren. Nooit meer kippenvel als coureurs ‘de donder uit hun vurige bliksem jagen’. Vreselijk, daar moet een mens toch niet denken.

Zondagmorgenfilm: Gajser, vastberaden om te slagen

0

Met een beetje geluk gaan we binnenkort ook weer crossen op WK-niveau. Om ons alvast een beetje op te warmen deze schitterende film over Tim Gajser.

BSA Gold Star BB34 GS (1953) – Mijlpaal

1
BSA Gold Star BB34 GS

Het kan geen toeval zijn dat veel motormerken iets te maken hadden met wapenfabrikanten. De precieze bewerking van hoogwaardige metalen is de link tussen motorfietsen en wapens. Bovendien: in vredestijd moet je toch wat omhanden hebben als wapenfabrikant. BSA is – of was – een merk met zo’n historie.

De naam B.S.A. Ltd. staat voor British Small Arms, oftewel Britse lichte wapens. Het logo bestaat uit ‘the piled arms’, de manier om geweren in het veld zo neer te zetten dat ze niet vuil werden. De link met oorlogsmateriaal bleef ook de link met het grootste verkoopsucces van BSA, de BSA Bantam. Die Bantam was een kopie van de DKW 125RT. In het kader van de herstelbetalingen kreeg Engeland (maar ook Amerika) de rechten op de DKW’s. BSA verkocht zo’n 400.000 van die lichte tweetakt-Bantams in het naar goedkoop gemotoriseerd vervoer smachtende naoorlogse Europa.

BSA Gold Star BB34 GS
De naam B.S.A. Ltd. staat voor British Small Arms.

De Gold Stars waren machines van een andere orde. Ze scoorden volop in het wegracesegment van de jaren vijftig en zestig. In die vorm waren en zijn het ondingen. Starten was een vaak helse klus. Door de enorme carburateur kreeg het mengsel gewoon te weinig vaart bij het kickstarten, terwijl de magneetontsteking bij het starten net te weinig vonk leverde. Ergonomisch gezien waren ze ongeveer het equivalent van de middeleeuwse pijnbank. Als je ouder dan 25 jaar en niet meer afgetopt door testosteron was, brak een rit op een Clubman TT je nek, rug, polsen, knieën en enkels. En trillen deed zo’n dikke eenpitter, natuurlijk nog zonder balansas, ook als een malle.

Als fabrikant wilde BSA, al was het maar om eerdere debacles te verdringen, niets met dat wegracegedoe te maken hebben, maar hield particulieren natuurlijk niet tegen. BSA zag in de Gold Stars echter wel perfecte machines voor Amerikanen die er in de stad of offroad mee wilden stoeien. Zo’n Gold Star in serieuze stoei-uitvoering, met een frame met telescoop en swingarm-achtervering, is de Mijlpaal in dit nummer van Classic & Retro.

Geboorte van een icoon

In oktober van het jaar 1910 presenteerde BSA zijn eerste motorfiets. Dat was een 500cc-eencilinder-zijklepper, een echte gebruikersmachine zonder kapsones. De halveliter-BSA’s leverden 3,5 en 4,5 pk. Die ‘utiliteits’-reputatie bleef het merk lang houden. Een BSA was simpel, eenvoudig en robuust. Door de gezonde verkoopcijfers was de BSA ook nog eens concurrerend geprijsd. BSA bleef lang een merk waarbij mensen niet snel aan races of wedstrijden dachten. Het merk zette wel succesvol in op Zesdaagsen, betrouwbaarheidsritten en trialevenementen. Ooit, heel lang geleden, meldde BSA trots dat het de grootste motorfietsproducent ter wereld was. ‘One out of four is a BSA’, kopte de fabriek trots.

Aan het eind van de jaren dertig verscheen de motorfiets die BSA iconisch zou maken: de BSA Gold Star. Die Gouden Ster werd toegekend aan motorfietsen die op het toen befaamde Brooklands-circuit in Surrey hadden bewezen over één ronde een gemiddelde snelheid van 100 mijl (zo’n 160 km/u) per uur te kunnen halen. De BSA won ook de Clubmans TT Races op het eiland Man, won talloze scrambles en trialwedstrijden en werd de basis van heel veel vroege caféracers. De eencilinder-BSA was op alle fronten een succesvol… wapen.

De Gold Star was er eerst in een 350cc-versie. Het feit dat de machine ze breed inzetbaar was dat het een echte alleskunner werd, kwam doordat er volop kon worden gecombineerd met nokkenassen, versnellingsbakoverbrengingen, carburateurs, Superleggera-voorvorken en Duetto-remtrommels met een diameter van 190 millimeter met twee oplopende schoenen.

De 500cc-uitvoering kwam in 1950. Dat was de ZB34GS, die eigenlijk een 350 met een grotere boring was. De boring ging namelijk van 71 naar 85 millimeter. Qua remmen gingen de 350 en de 500 gelijk op: ze kregen acht-inch-trommels aan de voorkant. Die zijn intussen ook gezocht en serieus geld waard. Naar huidige maatstaven zijn het echter maar matige stoppers. Eind 1951 werd de cilinderkop van de 500 aangepast door een los tuimelaarhuis te monteren. Die keuze maakte het mogelijk de cilinders beter passend en goedkoper te maken door middel van het spuitgietproces. De verbrandingsruimte werd wat anders gevormd.

BSA Gold Star BB34 GS
BSA Gold Star BB34 GS

De sterren van de Stars

Een ingegoten sterretje op het rechter carterdeksel werd het toonbeeld van de sportieve BSA’s. In 1927 was dat de Red Star Sloper, in 1936 kwam er een Blue Star. Toen in 1936 koning George V zijn 25-jarig ambtsjubileum vierde, kwam er de Empire Star. Dat was het model dat door de legendarische Val Page onderhanden werd genomen om zo de oervader van de Gold Stars te worden. Die Gouden Ster was overigens in het echt een speldje van een zespuntige ster met een blauw emaille hart met daarin het cijfer ‘100’ in goud. Nadat Norton zo’n speldje had veroverd, werd er binnen BSA gezegd: ‘Dat willen wij ook!’ Val Page en zijn assistent werden in de directiekamer geroepen. Het begeerde kleinood werd gehaald met een Empire Star met een op alcohol lopende motor met een compressieverhouding van 13:1 die was voorzien van een racemagneet en een megafoonuitlaat. Het zo getunede blok leverde krap 35 pk. De BSA was de snelste motor van het veld en pakte zijn ster met een gemiddelde snelheid over de hele race van 102 mijl per uur en een beetje. Dat was in 1937.

De draad opgepakt

Na de oorlog, in 1948, werd het Gold Star-concept weer opgepakt en gepresenteerd tijdens de Earls Court Show. De nieuwe Gold Stars waren de ZB32-scrambler en een competitiemodel. De machines hadden aluminium cilinders en cilinderkoppen en waren voorzien van plunjervering. Ze zijn nu veel zeldzamer dan de latere, veel meer inzetbare machines met swingarm-achtervering. De stoterstangen liepen door een beeldschone tunnel die deel uitmaakte van de cilinder en de cilinderkop. Erg brute beesten waren het nog niet, want ze waren ontworpen om hun werk te doen op de vrij laagwaardige 72 octaan-benzine uit die tijd. De motoren leverden 24 pk bij 6.500 toeren per minuut. Ze waren direct een succes.

De Gold Stars met de mooiste uitstraling en een veel betere inzetbaarheid zijn echter die vanaf 1954. Dat zijn voor ons – en waren voor BSA – de echte mijlpalen. De geheel nieuwe frames, die in de loop van de tijd wat werden aangepast, waren ontworpen door de Ier Bill Nicholson, die ermee voortborduurde op een succesvol frame dat hij voor zichzelf had gemaakt. De nieuwe BSA-frames hadden een bocht in de rechter framepijp. Die slinger was nodig om ruimte te maken voor de oliepomp. De frames waren op nog één punt veel moderner: ze waren niet meer hardgesoldeerd, maar gelast. Bovendien hadden ze – heel actueel – swingarm-vering aan de achterkant.

BSA Gold Star BB34 GS

Martelwerktuig

De meest gezochte en duurste BSA Gold Star is de DBD34GS TT in Clubmans-tenue. Dat was echter niet de mijlpaal, maar het eind van een traditie. De onweerlegbare successen met deze machines werden allemaal behaald door privérijders. BSA had na eerdere missers op wegcircuits immers zijn handen afgetrokken van deze tak van sport. Die meest populaire Gold Star is trouwens een onzinnig ding. Met zijn zithouding en trillingen is het een martelwerktuig voor veertigplussers. Onze Gold Star is een beschaafdere bruut, een motor waar de fabriek zelf veel meer mee op had en waarmee je kunt rijden zonder dat je de volgende dag naar de fysio moet. De 1953’er komt uit een privécollectie en heeft een ergonomie die het rijden niet tot een exercitie op een pijnbank maakt. Denk daarbij overigens niet aan het rijcomfort van een BMW R100RT of een vroege Gold… Wing. Zoals de BSA erbij staat, is hij niets anders dan het basale, beeldschone beest dat hij is. Minimalisme is nog nooit zo mooi geweest. Je ziet aan de machine dat hij heeft geleefd en dat maakt hem mooier en begeerlijker dan een machine die een toprestauratie heeft ondergaan. De BSA is zo smal als een enveloppe op zijn kant, maar zijn uitstraling verraadt wel dat er een dreigbrief in die enveloppe zit.

De halveliter-kopklepper is rank, op het anorexia-achtige af, maar ziet er toch stoer en beschaafd gemeen uit! Aan de stoterstangkant is te zien hoe de ribben op de stoterstangtunnel dat jaar zaten. Het al dan niet aanwezig zijn van koelribben of ribben op de tunnel is een momentopname. Ook de swingarm-Gold Stars zijn gedurende hun productietijd geëvolueerd. Een jaar later bijvoorbeeld was het door Roland Pike aangepakte blok voorzien van zoveel koelribben op de tunnel dat je nauwelijks meer zag dat hij er zat.

Een verdieping lager zien we de aluminium kast van de primaire aandrijving. Dat onderdeel is zoveel mooier en beter dan de vaak door de Britten gebruikte plaatstalen kettingkast en is – indien netjes gemonteerd – lekvrij en de kroon op de verbinding tussen de motor en de losse versnellingsbak. Wondermooie schetsplaten houden het spul op de plek en bij elkaar. Dan is er natuurlijk nog het geheel van het eencilinderblok. De looks daarvan zijn een gedicht waard. Allemaal eerlijk, hoogwaardig aluminium en een klare lijnvoering. De vraag bij moderne motoren is altijd: is het blok zo lelijk dat ze het verstoppen of is het expres zo lelijk gemaakt omdat toch niemand het ziet? Over een Gold Star-blok kun je wegdromen.

BSA Gold Star BB34 GS

Intussen is zo’n Gold Star in deze outfit een soort voorloper van de XT500 en de KTM-mono’s, een urban hero bij uitstek. Zijn feitelijk beperkte vermogen laat je denken aan wat een motorrijder onlangs opmerkte over de moderne pk-pakhuizen op twee wielen: ‘Het is net als je een jongeheer van 64 centimeter hebt. Iedereen in de sauna kijkt naar je, maar je kunt er niets mee”, zei hij. In praktijk is de opgegeven meer dan 35 pk ruim voldoende voor de ultieme pret. De Gold Star stuurt vlinderlicht, maar zeker. De vierbak schakelt als het spreekwoordelijke warme mes door de boter. Voor normaal gebruik zijn de remmen gewoon goed genoeg.

BSA Gold stars nu

Het gaat voor meer legendarische motoren op. Ook van de Gold Stars zijn er meer overgebleven dan dat er zijn gemaakt. Het is dan ook niet heel moeilijk om een ‘gewone’ BSA-eencilinder-kopklepper, bijvoorbeeld een B33, te pimpen. Het resultaat kan zo overtuigend zijn dat er echt een kenner voor nodig is om de zaken te verifiëren. Natuurlijk kun je van een ‘nepper’ net zo veel pret hebben als van een echt, raszuiver exemplaar, maar dan moet de aanschafprijs wel in overeenstemming zijn met de aangeboden waar. New Old Stock is er niet veel meer, naslag nog wel. In zijn tijd werden er voor de Goldies heel wat tijdcorrecte vervangende onderdelen geleverd. Er waren grotere aluminium tanks, centrale olietanks, betere remmen en andere voorvorken. Dat helpt er allemaal aan mee dat ook veel Gold Stars anders zijn geworden dan dat ze in de folders staan. Hoewel BSA zich officieel niet met wegracerij bezig hield, zijn de gebruiksvijandige Clubman Racers erg populair. BSA zelf scoorde als fabriek als van oudsher met betrouwbaarheidsritten, trials en crosses. De modellen in die trim zijn veel beter voor je rug, nek en polsen. Helaas zijn Gold Stars gerenommeerd als nukkige starters. Als je startknie niet zo best meer is en als je een groot denkraam hebt, kun je tegenwoordig gewoon een startmotorconversie voor zo’n BSA kopen.

Intussen bewijst onze Gold Star dat starten van de 500cc-eenpitter geen probleem hoeft te zijn. Zelfs niet met de originele Monobloc-carburateur van Amal, die in de praktijk zo vaak wordt vervangen door een Amal Concentric. Zo’n BSA Gold Star heeft met de originele uitlaatdemper een uniek uitlaatgeluid, een sound met een ‘bite’.

BSA Gold Star BB34 GS

De stamboom

1948 YB32 en YB34, 1949 ZB32 en ZB34, 1953 BB34 en BB32, 1954 CB34 en CB32, 1955 DB32 en DB34, 1956 DBD34. In 1956 luidde de DBD34 Clubman Goldstar het eind van een stuk geschiedenis in. Het model, het concept, was ingehaald door de tijd. Het verhaal dat de productie is gestopt omdat Lucas ophield met de productie van magneetontstekingen was een stoplap. De tijd van de grote eencilinders was voorbij, totdat Yamaha met de XT500 kwam.

Prijzen

In het kader van ‘een zware is je ware’ is de 500-versie het meest gezocht. Denk voor een mooi en correct exemplaar in Clubman TT-outfit aan bedragen van rond de € 25.000. En let er daarbij op dat je geen replica, imitatie, naslag of nepper koopt. De hartveroverende BSA Scrambler die we bij Dutch Lion Motors in Grubbenvorst vonden, heeft een vraagprijs van € 13.750,-. In 1953 kostte deze motor ongeveer € 1.600,-. In die tijd was een weekloon voor een geschoolde arbeider 100 gulden bruto in de week.

De onderdelenvoorziening is goed. Natuurlijk is er internet. Ook kun je terecht bij de firma De Groot. Daarnaast zijn er nog een aantal mensen die veel klassiek Engels doen.

Het Nederlandse ABSAF(Appingedamse BSA Fabriek) maakt kwalitatief hoogwaardige onderdelen voor deze BSA-krachtpatsers, tot aan complete motorblokken aan toe. Die zijn beter en sneller dan wat BSA ooit zelf heeft geleverd.

De prijzen van veel onderdelen zijn ongelooflijk laag in de ogen van mensen die zich bezig houden met de restauratie van Japanse klassiekers. Koop delen het liefst bij een specialist. De kwaliteitsspreiding in replica-onderdelen is groot. Mijd Ali E. uit C.

Het sleutelen

Het is een eencilinder, maar wel een raspaard. Het sleutelen vraagt kennis, rust en vakmanschap. O ja, voor de newbies: Engelse motoren zijn voorzien van bouten en moeren met Engelse – inch – maten. Let bij aanschaf op ‘rond gesleutelde’ bouten en moeren. Die zijn tekenend voor onoordeelkundig werk.

Aankooptips BSA Gold Star BB34 GS

1. Controleer de nummers van motor en versnellingsbak nauwkeurig. Je kunt de cijfers echter niet vertrouwen, omdat er vervalsingen in alle soorten zijn.

2. Controleer precies wat je koopt. Echte Gold Stars worden af ​​en toe (en opzettelijk) verkocht zonder de correcte (dure) onderdelen, waaronder de versnellingsbak en de carburateur. Het is verstandig om de aangeboden fiets te fotograferen en contact op te nemen met de BSA Owners Club Nederland.

3. Er is veel verwarring over de verschillende BB Gold Stars-, CB Gold Stars- en DB-modellen. Als je serieus op zoek bent naar een Gold Star, studeer, studeer, studeer. Het kan je duizenden euro’s schelen.

4. Als je van plan bent je Gold Star te gebruiken voor gewoon straatgebruik, kies dan voor één van de milder getunede modellen, misschien zelfs een 350cc-fiets. De eersteklas, goed afgestelde 500cc-DBD’s zijn extreem vermoeiend om te rijden en nog afgezien van de ergonomie gewoon een ramp voor dagelijks gebruik. De meeste zullen niet op nullast lopen en zullen onder de 3.000 toeren slecht draaien. Er is veel te zeggen voor een ‘echte’ en ‘eerlijke’ B31 of B33 Gold Star-lookalike, waarvan er nogal wat zijn.

5. De Gold Star maakt gebruik van een dunne foliekoppakking. Het aanbrengen moet heel precies gebeuren en de pakking kan er snel worden uitgeblazen als de zaak niet goed wordt gemonteerd. Kijk voor de aanschaf naar zwarte vlekken rond de cilinderkop, vooral als de compressie minder aanvoelt dan zou moeten.

6. Controleer of de magdyno goed vastzit. Zo’n ding wordt op zijn plaats gehouden door een enkele spanband. Het magneto-platform is​​ (door losse montage) vaak beschadigd. Het repareren is niet bijzonder moeilijk, maar het kost veel tijd en tijd is over het algemeen niet gratis.

7. Gold Stars worden vaak gestart op de middenstandaard. Dat belast de bevestigingsnokken en -bouten. Controleer de middenbok dus op speling en een soepele werking

8. Een wisselstroomconversie is een nuttige upgrade als je van plan bent veel te toeren. Die opzet geeft meer elektriciteit en is betrouwbaarder.

9. Gold Stars werden nooit geleverd met Akront-velgen. Niets mis mee, maar Borrani- en Dunlop-velgen zijn zoals het hoort.

Motorleven: Willem Visser

0
Willem Visser

‘Natuurlijk moest mijn eerste motorfiets een tweetakt worden. De viertakt was in opkomst, maar ik wilde iets eenvoudigs zonder kleppen. Voor 1.650 gulden kocht ik een Suzuki T350 bij Leen Post en thuis gekomen schroefde ik allereerst het L-plaatje er vanaf, want ik ging direct door naar de TT met vrienden. De eerste kilometers hield deze beginner ze amper bij, maar het ging steeds beter, harder, harder en harder. Bij terugkomst klonk het motortje niet meer zo gezond en bleek een blokrevisie nodig. Die kostte me 1.725 gulden. Wist ik veel dat je een tweetakt niet continu volgas moet laten draaien. Toch slaat mijn hart nog altijd sneller van tweetaktmotoren. De lucht van Castrol-olie is heerlijk, je kunt alle onderhoud zelf doen en het vermogen knalt er zo lekker vol in. En dan dat geluid. Ooit had ik een tweetakt met een Janton-uitlaat. Dat ding hoorde je op een kilometer aankomen. Er moeten minstens 150 decibellen uit zijn gekomen, heerlijk was dat.’

Ben jij abonnee van MOTO73 en wil je meedoen aan deze rubriek? Stuur ons dan een e-mail: redactie@moto73.nl.

‘Mijn hart ligt nog altijd bij supersportmotoren, maar door slijtage van mijn nek en polsen heb ik nu deze naked. Toch sluit ik een Ducati nog altijd niet uit. Om toch het juiste gevoel te hebben, zit deze Kawasaki wel vol racespulletjes. Dat is niet meer dan logisch voor iemand die door streekgenoot Jack Middelburg met motorrijden begon. Destijds wilde ik ook coureur worden, maar dat trok Bruin niet.’

Paspoort

Leeftijd64
WoonplaatsMonster
Rijbewijs sinds 1976
Motorfiets Kawasaki Z1000R
Kilometerstand   45.000
In bezit sinds2018
Aantal gekochte motoren10
Aantal verkochte motoren9

Motoren in mijn leven

  • Suzuki T350 (eerste motor)
  • Suzuki GT380
  • Suzuki GSX1100
  • Kawasaki ZX-9R
  • Yamaha YZF-R1 (2x)
  • MV Agusta F4
  • Kawasaki ZX-10R
  • Yamaha R6 circuitfiets
  • Kawasaki Z1000R
Willem Visser

Macbor Montana XR5: Spaans kloontje ziet er bekend uit

0

‘Follow the Leader’ is een oude Honda-slogan. Maar in de wereld van de grote Adventures is er een ander voorbeeld dat je moet volgen: de BMW GS. De nieuwe Spaanse tweecilinder 500 doet er niet eens moeilijk over.

De motor heet Montana XR5 en het Spaanse Macbor verkoopt het. Het is een merk dat drie jaar geleden is gestart door Motos Bordoy SA in Rubí, Barcelona. De ontwikkeling van het project is een mix van Spaanse en Chinese invloeden. De motor wordt in Nederland nog niet aangeboden.

De Montana XR5 is de grootste motor in het assortiment van Macbor. In Spanje kost de tweewieler € 6.499,-. Het blok is een 472 cc parallel-twin met acht kleppen, dubbele nokkenassen en vloeistofkoeling. De Montana heeft een 19 inch voorwiel en een 17 inch achterwiel. De zithoogte bedraagt 84o mm vanaf de grond, in de tank gaat 21 liter en het geheel weegt 178 kg.

In China zijn er veel merken die avontuurlijke modellen als de Montana XR5 aanbieden. Maar de XR5 maakt indruk door de sterke gelijkenissen met de BMW GS. En dan is het ook nog eens meer een BMW 850/1250 GS dan een G310GS om naar te kijken. Da’s natuurlijk een groot compliment voor het ontwerpteam van BMW, maar zeker weten dat dat team met gefronste wenkbrauwen naar de Spaans/Chinese Macbor Montana XR5 kijkt.

Voor meer over Macbor, check macbor.com