zondag 24 mei 2026
Home Blog Pagina 1013

Cees Doorakkers: ‘Winnen kon ik niet, maar racen wel’

0
Cees Doorakkers

Zes seizoenen lang bond een Brabantse jongen de strijd aan met ’s werelds beste coureurs. Cees Doorakkers stond op dezelfde startgrid als toppers als Lawson, Schwantz en Doohan. Zijn ‘hobbyteam’ was geen partij voor de fabrieksteams, maar wat doe je als je verliefd bent op het racen?

Het idee voor de overstap naar de 500 in 1988 kwam toch niet bij jou vandaan?

‘De 250cc-klasse is supermooi en eigenlijk was ik daarin nog niet klaar. Eerst wilde ik nog een mooi Europees kampioenschap neerzetten, alleen wilde het Grundig-Daf Team voor de publiciteit een rijder in de 500cc. Patrick van den Goorbergh werd de man voor de 250, ik voor de 500. Of ze Patrick ook hebben gevraagd voor de 500? Dat weet ik niet eens. Misschien was ik het gemakkelijkst over te halen.’

Cees Doorakkers
Bekend trio in het allereerste 500-jaar.
Cees Doorakkers
Thuiswedstrijd in 1990.

Wat is voor jou de mooiste klasse, de 250 of 500?

‘De kick bij de 250 is het sturen en bij de 500 het motorvermogen. Die twee compenseren elkaar en daarom heb ik niet echt een favoriet.’

Wat weet je nog van die eerste keer?

‘Samen met Stéphane Mertens hebben we getest op Zandvoort. Dat ging goed, want we gingen nagenoeg even hard rond.’

Geen aanpassingsproblemen dus?

‘Ze kunnen me op van alles neerzetten, maar ik ga altijd hard, ook op een 500. Hij was iets zwaarder dan een 250 en had indrukwekkend veel vermogen, maar echt giftig vond ik hem niet. De manier waarop hij het vermogen afgaf, was gelijk aan een 250. De pers blaast dat soort dingen altijd op. Hoezo giftig ding? Poeh poeh, het was gewoon een motor. Ik was een snelle rookie, maar maakte ook de rookie-fout om de motor als een 250 te rijden. Dat leer je vanzelf af, want dat straft een halveliter direct af.’

Cees Doorakkers
Le Mans in 1988: ‘Giftig? Dat valt wel mee…’

Met hoeveel uur ervaring begon je aan de TT van Assen?

‘We hebben getraind in Spanje en ik heb twee of drie wedstrijden in het Nederlands kampioenschap gereden. Dat was het wel zo’n beetje.’

Hoe was de overstap naar het mondiale geweld?

‘Ik reed direct een seconde sneller dan mijn teambaas Boet en dat maakte me alleen al supertrots. In de training reed ik een perfect rondje en kwalificeerde ik me als achttiende in een veld van veertig man. Bij mijn debuut zat ik direct tegen de punten aan, voelde ik toen al.’

Het liep anders…

‘Door een defecte tankontluchting liep in de eerste ronde alle benzine uit de benzinetank en was de race over.’

Je moet een boos mens zijn geweest…

‘Laat me op zo’n moment maar even tien minuten alleen en vraag vooral niets. Al heb ik nooit met mijn helm gegooid of zo. Daar zijn ze ook veel te duur voor. Met de 250 had ik het jaar ervoor veel pech en de 500 ging toen nooit kapot. Daarom verheugde ik me op het uitrijden van wedstrijden, maar ook bij mijn eerste wedstrijd in het EK ging de motor kapot. Op dat moment reed ik tweede en had ik nog flink over. In de laatste ronde wilde ik de kop pakken, maar toen gaven de bobines de geest. Wat een pechweek was dat.’

Cees Doorakkers
1991: ‘HEK was een topsponsor en daarvan mocht ik een nieuwe RS500 kopen.’

Wel een week waarin je jouw debuut op wereldniveau maakt. Liep je als een soort groupie in het rennerskwartier rond?

‘Ik voelde me niet anders dan de rest, ik was één van de jongens. Dan ben je geen groupie, dan maak je deel uit van iets. Het enige wat ik dacht, was: die coureur voor me moet ik inhalen. Dat ik het rennerskwartier deelde me de fabriekscoureurs deed me niet zo veel. Alleen mochten we dit keer geen waslijntje ophangen om de was te drogen.’

Had je contact met de fabriekscoureurs?

‘Ik ben niet zo iemand die snel contact zoekt. Uiteindelijk eindigde ik toch samen met de jongens waarmee ik in de wedstrijden reed.’

Even terug naar de wedstrijd. Bij de start moet je bloednerveus zijn geweest…

‘Integendeel, ik was de rust zelve. ’s Ochtends had ik wel last van zenuwen, maar op de startgrid zat ik volledig ontspannen op de motorfiets. Mijn enige gedachte was het maken van een goede start. Ik moet aan het droogracen zijn geweest. Net zoals skiërs en bobsleeërs dat doen, visualiseerde ik de baan om er de eerste ronde het maximale uit te halen. Dat droogracen begon al een week van tevoren. Dan sloeg ik onder de douche het beste trainingsrondje in mijn hoofd op.’

Cees Doorakkers
1992 Jerez: Deed Rossi inspiratie op bij Doorakkers?

Heb je dat weekend qua lijnen nog veel geleerd van de toppers?

‘Iedere coureur reed dezelfde lijnen. In een bocht scheelde het nog geen halve meter. Een Schwantz reed kortere lijnen, maar dat paste ook bij de Suzuki. De verschillen ontstonden bij het remmen en uitaccelereren en op topsnelheid. Mijn motorfiets reed 285 km/u, de rest zo’n 310 à 325 km/u.’

Een week later pakte je in je tweede WK-wedstrijd al een punt op Spa-Francorchamps. Je moet euforisch zijn geweest…

‘Het punt smaakte naar meer, maar het was een eenzame race. Spectaculairder dan dat kan ik het niet maken. Ik zette gewoon een goede race neer.’

Geld voor meer GP’s was er dat jaar niet en vlak voor aanvang van seizoen 1989 zat je zelfs helemaal zonder team…

‘Toen Jan Huberts stopte met Daf Grundig kreeg Boet de sponsoring niet rond en stond ik met lege handen. Ik heb toen letterlijk in mijn ondergoed in Weekblad Motor gestaan om aandacht voor mijn situatie te vragen. Daar reageerde Johan van de Wal op en toen heb ik met hem een paar endurance- en superbikewedstrijden gereden. Maar een viertakt is natuurlijk geen racer en het zijn nog lelijke dingen ook. Op een OW-1 die zo uit de krat kwam, werd ik nog tweede achter Jeffrey de Vries. Het ging ook hier direct weer goed.’

Cees Doorakkers
Onderweg in 1993

Hoe krijg je dat voor elkaar?

‘Je moet er los op zitten, een beetje spelen, een paar wheelies trekken en ontspannen bewegen op de motor, dan komt het wel goed.’

Trad Boet als mentor op?

‘Eigenlijk heb ik nooit een mentor gehad. Boet is een prima kerel, maar ik heb het allemaal zelf moeten uitvinden. Iets meer overleg in dat team was niet verkeerd geweest.’

Heb je in latere teams andere ervaringen gehad?

‘Mijn eigen team was een hobbyteam in een uiterst professionele omgeving. Fabrieksteams hadden twee rijders met ieder twee motoren en allerlei specialisten. Mijn team bestond uit een monteur, een hulpmonteur die ook chauffeur was en een kok. Vooral onze kennis van vering en geometrie was te gering. Met sturen valt het meeste te winnen, het blok geloof ik wat dat betreft wel. We hadden echter onvoldoende kennis van de geometrie. Dat neem ik niemand kwalijk, het waren allemaal vrijwilligers, maar die laatste anderhalve seconde blijven daardoor wel uit zicht.’

Was je anders sneller geweest?

Ik heb een paar wedstrijden op Moto Guzzi voor John Wittner (dr. John; red.) gereden. Hij ging een keer met me mee naar een training in Spanje. Het was de eerste keer dat ik met een nieuw frame van Nico Bakker reed. Mijn motoren stonden altijd op hun neus, zodat ze snel instuurden. Alleen kreeg ik de motor niet naar de binnenkant, omdat het voorwiel bij het remmen tegen de radiateur werd gedrukt. Dr. John berekende even snel dat het balhoofd een centimeter naar voren moest en anderhalve graad steiler. Het was direct de fijnst sturende driecilinder die ik ooit heb gehad. Als zo’n man in mijn team had gezeten, was ik absoluut sneller geweest. Helaas zaten dat soort mensen in fabrieksteams en misschien dacht ik er ook wel te licht over. Ik wilde altijd alles zelf doen. Ik was coureur, geen manager en kreeg de juiste mensen niet bij elkaar. Als een motorfiets niet klopt, kan zelfs de beste coureur ter wereld er niets mee. Rossi speelde op een Ducati ook niets klaar. Als coureur was ik snel genoeg, maar de afstelling kregen we niet voor elkaar.’

In Assen was je er in 1989 voor het eerst weer bij. Hoe deed je dat zonder team?

‘Omdat ik in 1988 een puntje had gepakt, mocht ik weer deelnemen aan de TT. Als je je kwalificeerde en de wedstrijd uitreed, wist ik, verdiende je daar tienduizend gulden mee. De motorfiets van Henk de Vries kon ik voor vijfduizend gulden per wedstrijd huren. Het was een gok en iemand moest financieel garant voor me staan, maar het pakte goed uit.’

Was het een kwestie van ‘brokken is dokken?’

‘Van “slopen is kopen” bedoel je? Eerlijk gezegd weet ik niet wat we hebben afgesproken. De nare dingen ben ik vergeten.’

Dat jaar liet je als beginner wel eens een steekje vallen…

‘Voor mijn gevoel werd ik op Donington op de veertiende plek afgevlagd, maar de vlag viel voor winnaar Kevin Schwantz net op het moment dat hij me op een ronde zette. Zo eindigde ik net buiten de punten. Ze waren wel zo sportief om mijn prijzengeld uit te betalen, maar naar de punten kon ik fluiten.’

Hoe erg is het voor een topsporter om op een ronde te worden gezet?

‘Je accepteert het omdat je weet waaraan het ligt. Als ik op beter materiaal had gereden, was het lastiger geweest. De toprijders die me op een ronde zetten, waren overigens niet mijn concurrenten.’

Het verschil tussen top- en privérijders was in die jaren extreem groot…

‘Had ik maar net zo lang mogen wennen in een topteam als Mick Doohan. Honda heeft hem een jaar de tijd gegeven en in die tijd heeft hij echt geen briljante resultaten neergezet. Wat had ik graag de kans gehad om te wennen aan betere motoren en betere banden. Ik heb wel eens gejankt omdat ik plotseling een goede band had gekregen. De bandenfabrikanten gaven hun beste banden aan de toppers en wat er overbleef, was voor de privérijders. Op Jerez had ik een goede voorband, waardoor ik een snelle bocht een versnelling hoger kon nemen. Dat dit ook met een band kan, dacht ik nog. Direct volgde het verdriet dat je niet altijd over zulke banden kon beschikken. Het verschil tussen een goede en een slechte band is tegenwoordig een tiende seconde, toen was het direct een volle seconde.’

Op de eerste twee dure GP’s in Japan en de Verenigde Staten na draaide je in 1990 voor het eerst een volledig seizoen mee in de koningsklasse, nog steeds op een oude gehuurde Honda RS500-driecilinder. Hoe had je het budget bij elkaar geschraapt?

‘We deden alles van het start- en prijzengeld. Het was dat of thuis gaan zitten. Winnen kon ik niet, maar racen wel. En dat is het mooiste wat er is.’

Werkte je door de week?

‘Nee, ik was fulltime racer. Een week had je ook wel nodig om alles voor elkaar te krijgen. Na een GP nam ik een dag rust, maar dan moest alles uit elkaar en dan weer worden opgebouwd. Een testrit maakte ik gewoon hier achter. Dan reed ik rustig het dorp uit en op de randweg ging ik even door alle versnellingen heen.’

Je was je eigen monteur, maar ging je ook op zoek naar sponsors?

‘De speurtocht naar sponsors is voor mij uiteindelijk de reden geweest om te stoppen met de GP’s. Ik heb het geprobeerd, maar ik kan het niet. Met stropdas en in pak ben ik industriegebieden opgegaan, maar ik heb het niet in me. In het rennerskwartier werkte ik ook niet aan mijn pr om me bij een topteam naar binnen te praten. Mijn instelling was: ik laat het wel op de baan zien.’

Wat had je met beter materiaal gedaan?

‘Een plek tussen de vijf en de tien had er in gezeten. De absolute top was een ander verhaal.’

Cees Doorakkers
In 1992 met ‘goede vriend’ Steve Harris.

Was je net zo goed als de subtoppers?

‘Nial Mackenzie had fabrieksmateriaal, maar ik was sneller. Alleen is het voor een grote fabrikant niet interessant om een Nederlander op zijn machine te zetten.’

En in Nederland pikten Hans Spaan en Wilco Zeelenberg in die jaren ook nog eens de publiciteit voor je neus weg. Stak dat?

Omdat ik niet bij de eerste tien reed en zij om de overwinning streden, is het logisch dat zij meer aandacht kregen. Dat accepteer ik volledig. Je moet gewoon voorin rijden, klaar! Het doet wel zeer als je in de pers ineens geen goede coureur meer bent, terwijl het aan het materiaal ligt. Dat heeft me wel gestoken. Het zijn weliswaar altijd de niet-kenners, maar het geeft toch een zure nasmaak. Het geeft sowieso een zure nasmaak dat ik niet heb bereikt wat ik had gekund.’

In 1990 eindigde je wel als beste privateer en in 1991 herhaalde je dat. Hoe voelde dat?

‘Ik was trots en had ook het idee dat ik nu als eerste aan de beurt was voor fabrieksmateriaal, maar dat kreeg je dus niet. Het was anders als ik Amerikaan of Australiër zou zijn geweest.’

Feliciteerden de echte toppers Cees Doorakkers toen die de beste privérijder werd?

‘Nee, dat waren twee werelden. Schwantz was nog wel open, maar mannen als Lawson en Doohan zagen ons niet staan. Die zagen ons als veldvulling en tweederangs coureurs. Ach, ik was zelf ook niet zo’n prater. Een afscheidsfeest op het eind van het seizoen is wel leuk, kan ik je vertellen. Ik kan me nog herinneren dat Roberts de fontein in ging en Barros ergens op een dak stond te dansen.’

Cees Doorakkers
Cees Doorakkers in 2020

Het waren de jaren van pure armoede in de koningsklasse, waarin er nog geen twintig motoren aan de start stonden. Zag jij liever volle startvelden of dacht je aan de punten?

‘Ook met volle startvelden reed ik in de punten. Het kon mij dus niet druk genoeg zijn.’

Kon je het gebrek aan snelheid van de Honda compenseren?

‘Compenseren gaat helemaal niet. Als je glijdt en stuitert, kan het echt niet harder. Ik reed altijd op de grens en benutte het materiaal voor de volle honderd procent. Betere banden en vering hadden een verschil kunnen maken, de coureur niet. Alleen de echte gekken nemen risico’s, maar die breken twee keer per jaar een been.’

Kwalificeren was nooit zo’n probleem, maar in 1991 stond je er op Suzuka naast.

‘Er was precies één droge ronde in alle trainingen bij elkaar en die miste ik. Ervarener coureurs waren al buiten, ik niet. Volgens mij hebben slechts dertien rijders zich toen gekwalificeerd. We hebben nog geprotesteerd, maar ze hielden zich aan het reglement. Dat scheelde me vijftienduizend gulden. Dat jaar verdiende ik wel lekker trouwens. We zijn nog wel eens door Amerika gereden met dertigduizend dollar aan cash. Je kreeg namelijk cash uitbetaald. Als we de camper ergens parkeerden, verstopte ik dat geld eerst goed.’

De goede verdiensten waren een uitkomst, want in 1992 verbood Dorna de trage Honda-driecilinders en moest je een Yamaha V4 kopen. De Franse framebouwer ROC en het Engelse Harris boden een rijwielgedeelte aan. De keus viel op Harris. Waarom?

‘Die was honderdduizend gulden goedkoper.’

Goedkoop bleek duurkoop…

‘ROC had het rijwielgedeelte al een jaar uitgetest en dat was direct goed. Het ding stak bovendien goed in elkaar. De Harris was maar half klaar en de toleranties klopten van geen kant. Het veel krachtiger blok was wel een genot om te rijden. In zijn drie wilde hij nog wheeliën.’

Cees Doorakkers

En toen werd het allemaal nog duurder…

‘Het V4-blok had magnesium carters die te licht waren gemaakt. Dan loop je tegen zaken aan dat een kaal carter dertigduizend gulden kost. Bovendien moesten we om de drie wedstrijden de krukas vervangen. Dat grapje was goed voor 18.000 gulden per keer. Door de uitgelubberde carters ging de krukas trillen en dat leverde allerlei problemen op. We kregen de carburatie niet afgesteld, omdat de benzine door de vibraties ging schuimen. Zelfs de olie in de vering ging schuimen door de vibraties. We waren nog altijd een hobbyteam, maar hadden plots een fabrieks-V4. Die kregen we niet goed afgesteld.

Heb je ooit advies ingewonnen bij de fabrieksteams?

‘Eén keer heb ik Schwantz iets gevraagd, want hij was een benaderbare topper, maar hij kon niets voor me betekenen. Er gaapte echt een kloof tussen privé- en fabrieksrijders. Wij leenden elkaar onderling onderdelen uit, maar dat is me maar één keer gelukt bij een fabrieksteam. Bij Kenny Roberts heb ik bij de GP van Australië geprobeerd om een versnellingsbak te regelen. Yamaha Japan had mij namelijk het verkeerde onderdeel opgestuurd, maar gaf niet thuis toen ik daar aanklopte. Op de laatste dag van de training, toen Roberts de bak echt niet meer nodig had, kreeg ik hem. Drie van de vier trainingen miste ik en het moest dus in de laatste sessie gebeuren. Toen het me lukte om me te kwalificeren, stond iedereen, zelfs het officiële Yamaha-team, in de pitstraat voor me te applaudisseren.’

Cees Doorakkers

Vervloekte je het gebrekkige materiaal?

‘Yamaha niet, Harris wel. Steve Harris, “mijn vriend”, gaf geen enkele informatie en had een frame gebouwd dat zo licht was dat het linksysteem in no time krom was. Nico Bakker heeft het nog aangepast. Voor de prijs van een huis had ik een kloteding gekocht.’

Het werd een jaar om snel te vergeten.

We hebben een jaar vergooid omdat de motor niet wilde sturen. Het bleek uiteindelijk iets kleins te zijn. De stuurdemper was op de verkeerde plek en met te veel kracht vastgezet, waardoor de voorvork te veel stickslip had. Toen ik uitvond dat het door zoiets lulligs al een jaar niet liep, heb ik er een nacht van gejankt. Wat een ellende, man! Wat een verschrikkelijk jaar.’

De matige prestaties bleven niet zonder gevolgen. Eind 1993 kreeg je van de IRTA te horen dat je er in seizoen 1994 niet meer bij zou zijn…

‘Toen heb ik een brief in het Italiaans laten opstellen, omdat Franco Ucini in de IRTA zat. Ik heb gebluft dat ik een dikke sponsor had gevonden en dat ik een nieuw blok ging kopen. Dat was allemaal niet waar, maar ik kreeg wel een start.’

Toch was het einde in zicht…

‘Ik hoopte nog altijd op een sponsor, maar die kwam er nooit. Daarom zaten we zo krap in het geld dat we goedkope 250-krukassen gebruikten, maar dat leverde natuurlijk allerlei problemen op. Als beste privérijder heb ik best wat geld verdiend, maar op zo’n Yamaha loop je in een jaar helemaal leeg. Op een gegeven moment ben je er helemaal klaar mee en toen ik moest stoppen, was ik echt compleet ziek van de motorsport. Ik ging zelfs niet naar de TT. Het idee alleen al gaf me buikpijn.’

Cees Doorakkers
1992

Hoe voelt dat nu?

Het liefst praat ik er niet over, want op het eind komt altijd dat negatieve dat je het niet hebt gered weer naar boven, maar het slijt. Tegenwoordig ga ik ook weer naar de TT en dan voel ik gelijk weer die kick die alleen het racen kan geven. Ik vind het leuk om te motorcrossen, maar dat geeft niet die kick.’

En terwijl de Lawsons en Doohans van deze wereld rentenieren, moet jij gewoon aan de bak bij Cees Doorakkers Motoren…

‘Ik zeg altijd dat als ik toen meer gas had gegeven, ik nu niet hoefde te sleutelen.’

Jouw tragiek is dat je te veel coureur bent. Als je geen 100, maar 99 procent coureur was geweest en die ene procent voor lobbywerkzaamheden had gebruikt, was je verder gekomen.

(knikt slechts instemmend en doet er het zwijgen toe.)

Levensgevaarlijke banen als favoriet

Het beste resultaat dat Doorakkers in de 500cc neerzette, was een zevende plek op Rijeka. Niet geheel toevallig een circuit met een dubieuze reputatie op het vlak van veiligheid. ‘Hoe gevaarlijker, hoe mooier’, vertelt de Brabander enthousiast. ‘Op banen als Macau en Rijeka heb ik als rijder nooit het gevaar gezien. Dat kan niet, dat heeft niemand. Na afloop is het zo’n kick dat je het er goed van hebt afgebracht. Ik heb al veel meegemaakt, maar bij een race gaat er automatisch een knop in je hoofd om. Als achttienjarige ging ik er ooit keihard in een bocht af. Weet je wat mijn enige reactie was? “Hoezo kan het hier niet zo hard?” Daarna dook ik diezelfde bocht weer net zo hard in. Eerlijk gezegd was ik best onverschrokken, het nadenken kwam later’, aldus Doorakkers. Dat laatste bewijst het afzeggen voor de Isle of Man. Het lijkt thrillseeker Doorakkers het mooiste wat er is, maar hij wees de uitnodiging – met de nodige spijt in zijn hart – af omdat hij vreesde dat het knopje in zijn hoofd toch weer zou worden omgezet.

In 1987 was ‘Michaels vader’ er ook bij.

Racen met niet te vertrouwen banden

Natuurlijk was het een centenkwestie dat Doorakkers als enige coureur in de koningsklasse op banden van Yokohama reed. Het bandenbudget voor een seizoen bedroeg destijds zo’n 60.000 gulden en dat was erg veel voor een armlastig team. ‘De banden gaven niets door, ik kreeg geen enkele feedback, maar ze waren wel gratis’, zegt de coureur. Nee, vertrouwen deed Doorakkers zijn slicks niet, maar dat hield hem amper tegen. ‘Ooit reed ik op Macau en voor ik het wist had ik mijn oogkleppen weer op. Duik je met 280 langs vangrails die drie hoog zijn gestapeld. Uiteindelijk heb ik door het gebrek aan vertrouwen de wedstrijd op zeventig à tachtig procent gereden. Voor mijn gevoel is dat als een natte krant. Zo’n vakantieritje wil je zo snel mogelijk vergeten.’

Zo duur was de halveliterklasse

In 1994 legde Nial Mackenzie (de beste niet-fabrieksrijder van 1993) uit wat een seizoen 500cc kostte. De Schot betaalde ƒ 239.550,- voor een Yamaha ROC en ƒ 85.500,- voor een servicecontract met ROC. Per GP was hij ƒ 850,- kwijt voor speciale benzine en hij gebruikte 25 banden per GP. Een nieuw V4-blok kostte ƒ 200.000,-, carburateurs ƒ 38.475,-, zuigers ƒ 262,- per stuk, vier uitlaten ƒ 9.527,- en een voorvork ƒ 16.544,-. Ondanks alle pecunia waren de fabrieksrijders met hun big-bang-motoren per ronde één tot anderhalve seconde sneller. De Schot schatte dat de top-drie, Rainey, Schwantz en Doohan, tussen de vier en zes miljoen gulden verdiende. Alex Crivillé pakte volgens hem twee miljoen en Doug Chandler nog altijd drie miljoen. Mackenzie verdiende als privateer twintig procent van wat hij als fabriekscoureur kreeg.

Ducati zet White Rosso in het rijtje Panigale V2’s

0

Ducati heeft zijn Panigale V2 voor 2020 de line-up uitgebreid met een zogezegd frisse White Rosso-uitvoering.

De Panigale V2 werd vorig jaar fiks gewijzigd om ‘m meer in lijn te brengen met de grotere Ducati Panigale V4. De opvallende designkenmerken van Ducati’s vlagschip werden daarin overgenomen.

Naast de traditionele Ducati-rode V2 is er nu ook een White Rosso model. Deze Panigale V2 combineert Ducati Red met Star White Silk, afgewisseld met rode details op de velgen en de luchtinlaten. Verder zijn er op het onderste deel van de stroomlijn graphics geplakt die zijn geïnspireerd op de graphics van Ducati Corse motoren. Onderhuids is de Panigale V2 onveranderd. De tweecilinder 955 cc Superquadro is goed voor 155 @ 10.750 tpm.

Max Biaggi doet recordpoging met Voxan Wattman

0

Afgelopen week hoorden we voor het eerst sinds 2013 weer iets van Voxan. Dan zijn je oren meteen gestrekt. Voxan, machtig mooie motoren, maar ook een magistrale mislukking zoals alleen een Frans motormerk kan mislukken. In het persbericht werd gerept over een onthulling deze week. Ze hebben woord gehouden.

Dit is de Voxan Wattman in volle glorie. Een elektrische motor die eruit ziet als een NSU-racer uit de jaren 50. Met deze motor gaat Max Biaggi proberen een nieuw elektrisch hogesnelheidsrecord te vestigen. Om de missie te laten slagen, moet de motor minimaal 352 km/u rijden. Het record staat op naam van de Lightning LS-218 die een snelheid behaalde van 351 km/u.

De Wattman heeft een dubbele voorwielophanging. Het koelsysteem is ook zeer interessant omdat er gebruik wordt gemaakt van droogijs. Het droogijs zit onder het zadel. Ook de accu is uniek. Die bestaat uit 1.470 cellen en weegt 140 kilo. Het rijklaar gewicht van de Wattman bedraagt 300 kilo.

De Wattman heeft een vermogen van 431 pk. De motor heeft Michelin Pilot RS+-banden die de motor helpen om een topsnelheid van minimaal 352 km/u te halen. De banden zijn getest tot 450 km/u… Er is dus nog wat marge.

MOTO73 editie #13 2020

0
Moto73 13

MOTO73 editie #13 is uit en ligt nu in de winkel.

Wil je hem als abonnee digitaal lezen? Klik hier.

Wil je hem online bestellen als losse editie? klik hier. GRATIS thuisbezorgd!

KTM 890 Duke R vs. Triumph Street Triple 765RS

De supersportieve middenklasse-nakeds winnen in rap tempo terrein. We zetten de Triumph Street Triple 765RS tegen de KTM 890 Duke R. Welke is de beste?

Joey Dunlop

De Noord-Ierse straatracer Joey Dunlop was bij leven al een legende. Hij overleed twintig jaar geleden tijdens een race in Estland. Een terugblik.

Routetips en agenda

Nu we er weer op uit kunnen, verzamelen we in deze nieuwe rubriek een aantal routes, die je kunt rijden in Nederland en over de grens. We rijden door Hanzesteden, langs de grens met Duitsland en in het Duitse Neanderthal. En natuurlijk stroomt de agenda ook weer vol.

Top-10 Alpenpassen

Een toertocht over de tien hoogste, geasfalteerde Alpenpassen, dat is zelfs voor oude knarren een genoegen. Voor jonge broekjes zonder ervaring met bergrijden is het een uitdaging van jewelste. Oude knar Klaus Daams gaat op pad met broekie Lino. Lees hun ervaringen.

TT-feest

Geen TT dit jaar, maar wel een bijzonder feest om de 95e verjaardag van de Dutch TT te vieren. Marien was erbij.

Honda CB1000R

De Honda CB1000R van Otto Pastors heeft na twaalf jaar ruim 100.000 kilometer op de teller staan. Zijn betrouwbaarheid heeft de Honda ruimschoots bewezen.

Ducati Superleggera V4

De Pirelli-slicks zijn warm, het rechte stuk lonkt. Voor het eerst de volle 234 paardenkrachten loslaten op het asfalt van Mugello. De Ducati Superleggera V4 hoeft weinig voort te stuwen ook. Slechts 152 kilo aan motorfiets, een rijder a 90 kilo inclusief battledress en zeg tien kilo benzine en andere vloeistoffen. Dit is speciaal. Heel speciaal.

EN VERDER

  • Motorleven van Willem Visser
  • Column Herman Brusselmans
  • Met open vizier – Ad
  • Mr GPS
  • TT Circuit in coronatijd: de getallen
  • Interview met TT Circuit pr-man Peter Schorer
  • De sportkalender na corona
  • De Terugblik – De lachende derde
  • Hyosung Bobber GV300S

Hyosung Bobber GV300S 2020 – test

2

Ken je nog dat oude reclamefilmpje van de Fiat Panda? In dat Italiaanse koekblikje lachte je zogenaamd iedereen uit. De commercial kwam als vanzelf opzetten op deze Hyosung Bobber GV300S en ik kreeg hem niet meer uit mijn hoofd. Er bestaan ongetwijfeld hele motorrijdende volksstammen, die zich eerder uitgelachen voelen op een Hyosung Bobber GV300S dan dat ze iedereen uitlachen. Het is ook wel een koddig en niet-alledaags motorfietsje. Een lastig te plaatsen motor bovendien. Een matzwarte, goedkope Koreaanse V-twin van 296 cc in een wereld die wordt gedomineerd door glanzende dikke Amerikaanse twins. Een wereld waar volgens het bekende gezegde bovendien geen ‘substitute for cubic inches’ is. Wat vindt redacteur Ad van de Wiel van deze Hyosung Bobber GV300S 2020?

Afsluiting Zuiderdijk tussen Venhuizen – Hoorn: motoren tijdelijk niet welkom

51
zuiderdijk

Lekker bezig! Opnieuw zijn ‘we’ ergens niet meer welkom. En opnieuw hebben ‘we’ er een potje van gemaakt. Volgens de anti-lawaaiclub Overlast Zuiderdijk rijden ‘we’ te hard, maken ‘we’ te veel herrie en gedragen ‘we’ ons naar de andere verkeersdeelnemers op de dijk niet altijd als een heer of dame. Waarom de persoonlijke voornaamwoorden steeds tussen haakjes staan?

Om aan te geven dat niet alle motorrijders hun motor meteen voorzien van een uitlaat die meer herrie maakt. Niet alle motorrijders rijden te hard over een dijkweg. En niet alle motorrijders passeren als dollemannen recreërende fietsers wandelaars. Het gaat Overlast Zuiderdijk vooral om motorrijders die zich van God noch gebod iets aantrekken. En probeer dat kaf maar eens van het koren te scheiden. Dus hebben we allemaal onder deze maatregel te lijden.

Hou nou eens op met dat gekloot aan je motor en hou je aan de regels: je bent mijn hobby aan het verstieren!

Jan Kruithof – MotorNL

De ‘Motorrijder Niet Welkom’-maatregel betreft het mooiste stuk van de dijk langs de voormalige Zuiderzee. De Zuiderdijk (of Waterkeringpad) tussen Venhuizen en Hoorn vice versa is namelijk het enige stuk waar je bovenop de dijk rijdt. Je hebt er dan ook een pracht uitzicht over het Markermeer en de Hoornsche Hop.

De afsluiting is nog wel een proef die duurt van 1 augustus tot 30 september. Daarna volgt er een enquête onder bewoners over de motoroverlast die zij hebben ervaren tijdens de proef. In het najaar wordt dan besloten of de Zuiderdijk van maart tot oktober 2021 en verder definitief wordt afgesloten voor motorverkeer in de weekenden. Tijdens de proef wordt met camera’s gecontroleerd of motorrijders zich wat aantrekken van het tijdelijke weekendverbod. Er wordt dus niet actief gecontroleerd, langs de dijk staan borden die vertellen dat motorrijders echt niet welkom zijn.

Overlast Zuiderdijk is blij met het besluit. Liever had de club gezien dat de proefmaatregel ook geldend was voor doordeweeks en in de avonden. Ook dan gebruiken volgens de club motoren de dijk als racecircuit.

Michael van der Mark rijdt volgend jaar voor BMW

0
Michael van der Mark
(foto: http://michaelvandermark.nl/)

Een echte verrassing mag je het niet meer noemen, maar het is wel lekker dat het nu officieel is. Michael van der Mark rijdt volgend jaar voor het BMW Motorrad WorldSBK Team. Speculaties hierover gingen al langer rond nadat Speedweek – altijd goed op de hoogte wat bij BMW speelt – met het nieuws naar buiten kwam. Eerder deze week werd al bekend dat Michael na 2020 in ieder geval weggaat bij Yamaha.

Yamaha en Michael van der Mark gaan einde seizoen uit elkaar

Shaun Muir (BMW Motorrad WorldSBK Team – Team Principal): “We zijn verheugd Michael te verwelkomen in het BMW Motorrad WorldSBK Team. Hij heeft een schat aan ervaring en is een van de jongste, meest getalenteerde rijders in het WorldSBK. Het vastleggen van de diensten van Michael benadrukt onze focus en vastberadenheid die we hebben om te strijden voor de hoogste eer en we zullen Michael alle kansen geven om dat doel te bereiken.

Toerisme: Zuid-Tirol met route

1
Zuid-Tirol

Als je iemand één dag achterop mag meenemen voor de ultieme beleving van het motorrijden, waar zou je dat dan doen? Voor velen zal het antwoord simpel zijn: op en rondom de Stelvio. En zo geschiedde, inclusief Ofenpas, hier op de foto.

De Ofenpas is slechts één van de vele adembenemende passages op hoogte die we tijdens onze dagtocht door Italië en Zwitserland maken. Ik zit deze vakantie achterop bij Dennis en we hebben Solda, in de Italiaanse Alpen-regio Alto Adige, als uitvalsbasis genomen. Al zie ik op de kaart dat je ook best Sulden mag zeggen en Südtirol in plaats van Alto Adige. Dat komt door de Eerste Wereldoorlog, vertelt Dennis me. De Italianen wonnen die en de Oostenrijkers waren de verliezers. Die laatsten moesten toen een groot stuk van Tirol inleveren, vanaf de Brennerpas tot even voorbij Bolzano. Inmiddels is dat al meer dan honderd jaar geleden, maar het grootste deel van de bewoners spreekt nog steeds het Tiroolse dialect. Overigens zijn het inmiddels geen echte Tirolers meer, zo ontdek ik gaandeweg, maar daarover later meer.

Zuid-Tirol
De Stelvio richting Bormio is zo mooi dat je telkens wil stoppen om te genieten van het uitzicht.
Zuid-Tirol
Jawel, met duopassagier kun je nog best sturen ook.

Slapen op hoogte

In Sulden hebben we geboekt in een speciaal motorhotel van de hotelorganisatie MoHo. Zo weten we zeker dat we de Suzuki V-Strom veilig kunnen stallen. Bovendien kent hoteleigenaar Lukas Wallnöfer, die zelf motorrijder is, alle mooie routes in de omgeving van zijn hotel. Geen eigen motor? In de parkeergarage zie ik een rijtje Ducati’s Scrambler staan die je vanaf zo’n € 40 per dag kunt huren. Niet duur!

Je moet trouwens wel even moeite doen om in Sulden te komen, want het dorp ligt op ruim 1900 meter hoogte. Maar het is zeker de moeite waard! Waar je maar kijkt, zie je besneeuwde alpenreuzen, met toppen tot bijna vierduizend meter, zoals de Ortler, de Königspitze, de Schildspitze en de Vertainspitze. Alleen naar het noorden toe is er vrij zicht. Al die bergen maken deel uit van Nationaal Park Stelvio, één van de grootste nationale parken van Europa.

De keerzijde van het slapen op grote hoogte is wel dat je voor het maken van een tocht éérst naar beneden moet, want hoger gaat niet vanuit Sulden. Naar beneden rijden is natuurlijk helemaal niet erg, vooral niet omdat de bergweg naar Sulden aansluit op de weg naar de Stelvio-pas! Tja, welke motorrijder heeft die nu nog niet gereden? Bochtenpret gegarandeerd, inclusief adembenemende uitzichten. De route die Dennis en ik vandaag gaan rijden, is de avond tevoren door Lukas voor ons uitgetekend op de kaart. En natuurlijk heeft Dennis hem ook in de navigatie gezet. Het is een ronde van zo’n 180 kilometer: eerst over de Stelvio naar Bormio en Livigno, dan Zwitserland in en via de Ofenpas en Val Müstair weer terug naar Zuid-Tirol.

MoHo-Hotel Paradies Pure Mountain Resort

Het Moho-Hotel Paradies Pure Mountain Resort, dat wordt uitgebaat door motor- en oldtimer-liefhebber Lukas Wallnöfer, ligt op maar liefst 1900 meter hoogte, aan de voet van indrukwekkende, eeuwig witte Alpen-giganten als de Ortler, de Königsspitze en de Zebrù.

Het is alleen al een feest om er te komen, want tussen de doorgaande weg in het dal tot aan het hotel ligt een hele serie heerlijke haarspeldbochten. Ook als je er bent, is het puur genieten, met uitgebreide wellnessfaciliteiten, een groot zwembad en – ook al wordt er Duits gesproken, is en blijft het natuurlijk wel Italië – erg lekker eten. Geen zin om met de motor helemaal naar Sulden te rijden? Vanaf € 40 per dag huur je bij Lukas een Ducati Scrambler 800 Icon. Een dikke Scrambler 1100 Sport is te huur vanaf € 60. Meer informatie: www.moho.info.

MoHo-Hotel Paradies Pure Mountain Resort
MoHo-Hotel Paradies Pure Mountain Resort

Lekker warm

Het is al eind september, maar de temperatuur is desondanks nog zomers. Ik mis de voering van mijn motorjack die ik in het hotel heb achtergelaten geen moment, maar wegdoezelen in die weldadige warmte is er natuurlijk niet bij. Hoewel ik zelf het stuur niet in handen heb, moet ik er met al mijn aandacht bij blijven. Motorrijden is niet nieuw voor mij – ik rij zelf ook motor – maar de tornante, de haarspeldbochten van de Stelvio, zijn toch heel andere koek dan de Hollandse polder. We rijgen de haarspeldbochten soepel aaneen en ik probeer op het juiste moment mee te hangen om de flow zo min mogelijk te verstoren. Ik ben er duidelijk drukker mee dan Dennis, want hij kletst lekker door.

Toerisme Balkan: Heel de Balkan bakt- Route

Als we de boomgrens passeren, daalt niet alleen de temperatuur, maar opent ook het landschap zich. Fe-no-me-naal! Oké, de Stelvio mag dan op de bucketlist staan van zo’n beetje iedere motorrijder, maar dat maakt het hier niet minder mooi: de op elkaar gestapelde bochten van de pasweg, de rauwe rotspartijen en het glinsterende ijs van de gletsjers. Meer ín de bergen dan hier kun je bijna niet zijn. Ik voel me nietig en kwetsbaar, maar tegelijkertijd borrelt een gevoel van vrijheid en geluk in me op. Dít is motorrijden. Het enige wat dit nog kan overtreffen, is het de volgende keer op mijn eigen motor te doen!

Stelvio? Snelweg!

Hoewel het geen hoogseizoen is, is de Stelvio vandaag drukbezocht. Wat wil je. Het is zaterdag en de zon schijnt. Als we even langs de weg stoppen om wat foto’s te maken, zie ik echt van alles voorbijkomen. Strak gesoigneerde wielrenners op peperdure carbon racefietsen met carbon wielen en een hijgende oude baas op een glimmende stalen racefiets die waarschijnlijk net zo oud is als ik. Die fiets bedoel ik, niet de fietser… ‘Forza forza!’, moedigen we hem aan. Even later passeert een stel afgetrainde dames die zich naar boven beulen op langlaufski’s met wieltjes eronder, kort daarop gevolgd door een hele serie Porsches met alleen maar twintigers en dertigers achter het stuur. Rijkeluiskinderen uit het Verenigd Koninkrijk, gezien de kentekenplaten.

Dit hele circus wordt gekruid met de metalige geur van warme remmen en koppelingsplaten. Vooral de campers hebben het zwaar; met gierende dieselmotor en walmende uitlaat kruipen ze in de eerste versnelling omhoog. Wat wil je, de lucht is hier dun en de weg steil. Wel twaalf procent, zo zie ik op de borden langs de weg. Ik zou zeggen: lekker beneden blijven met die dingen. Des te meer respect voor de wielrenners, die zonder motorondersteuning maar wel met dieseldampen ook gewoon de ruim 1800 hoogtemeters en 48 haarspeldbochten tot aan de pashoogte overwinnen. Knap of niet, ik ben blij dat ik op de motor zit!

Zuid-Tirol
Misschien wel het beste motoruitzicht dat je in Europa kunt vinden.

De mooiere kant

Vanaf de pashoogte dalen we af naar het zuidwesten, richting Bormio. Deze kant van de Stelvio vind ik mooier. Het is er minder druk, de weg is beter en het uitzicht tussen al die hoge toppen is beslist niet minder mooi. En er zijn weer veel scherpe haarspeldbochten, 39 om precies te zijn. En omdat de snelheid nu hoger ligt dan aan de andere kant van de pashoogte is het des te meer opletten geblazen. Zeker als we een wielrenner voor ons krijgen die met minstens zeventig kilometer per uur naar beneden raast. Hij liever dan ik! Ik heb een dikke helm en beschermende motorkleding aan, hij rolt op ultrasmalle bandjes, met niet meer dan een lycra pakje aan en een licht piepschuimen helmpje op zijn hoofd. Gekkenwerk! Maar wat een heerlijke weg ook voor de motor. Bocht na bocht zwieren we het dal in.

Bij Bormio slaan we rechtsaf in de richting van de Foscagno-pas, die het geïsoleerde bergdorp Livigno met de rest van Italië verbindt. In tegenstelling tot de Stelvio-pas is de Foscagno-pas het hele jaar open. De weg is breder, er liggen nauwelijks bochten in en het stijgingspercentage is heel bescheiden. Dat is fijn voor de Italianen uit Milaan die ’s winters in Livigno willen gaan skiën, maar voor ons is deze pasweg niet zo spannend. Dat is het dorp zelf wel. Tenminste, als je een koopjesjager bent. Vanwege zijn geïsoleerde ligging hoeft in Livigno namelijk geen belasting te worden betaald. Je kunt er je euro’s in maar liefst 250 belastingvrije winkels kwijt! Maar Dennis en ik verzinnen een andere bestemming voor ons geld: een koud biertje met bruschetta en een rijk gevulde pasta. Met volle maag door naar Zwitserland!

De verbindingsweg naar het land van de kazen en klokken loopt langs een kilometerslang stuwmeer, het Lago di Livigno. Op de plek waar het meer de Zwitserse grens raakt, bij een grote stuwdam, is een tunnel geboord naar de Val dal Spöl aan de Zwitserse kant van de bergen. Deze zeven kilometer lange tunnel – de Munt-La-Schera – is zo smal dat er maar plaats is voor één rijbaan. Voordat je erdoor mag, moet je niet alleen eerst langs de douane, moet je ook € 12 tol betalen. Tot slot moet je voor de ingang van de tunnel wachten tot het verkeerslicht op groen springt. Dat is wel zo veilig, want op tegenliggers zit je in zo’n smalle tunnel natuurlijk niet te wachten. Het is er trouwens erg koud!

Zuid-Tirol
De Munt-La-Schera-tunnel is dusdanig smal dat eenrichtingsverkeer pure noodzaak is.

De motorhotels van MoHo

De hotels die zich hebben aangesloten bij de MoHo-organisatie hebben stuk voor stuk een motorrijdershart. De meeste gastheren zijn zelf motorrijder en kennen de mooiste motorwegen in de omgeving als hun broekzak. En hebben ze er nog geen route van, dan maken ze die wel voor je als je het vraagt. No problemo! Natuurlijk hebben ze ook gewoon een busje kettingvet voor je en kun je je motorfiets afspoelen, mocht je de hele dag door de regen hebben gereden. Er zijn bijna zestig MoHo-hotels, verspreid over Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en Kroatië. Onderscheid tussen de hotels wordt gemaakt met een speciaal sterrensysteem. De hotels met een drie-helmenstatus zijn vrij basic. Bij vier helmen ben je verzekerd van een al iets betere service, maar bij vijf helmen zit je in de crème de la crème van de MoHo-hotels. Deze hotels en hun eigenaren denken en ademen simpelweg motorfiets. Voor meer informatie over de MoHo-hotels in Italië en andere motorvakantielanden ga je naar www.moho.info.

Milka-koeien

De uitgang van de tunnel sluit direct aan op de weg terug naar Italië, via de Ofenpas. Dat we in Zwitserland zijn, is aan alles te zien, behalve aan de natuur. Of misschien júist wel aan de natuur. De verkeersborden staan recht, het asfalt is zwart zonder olie- en remsporen en de strepen langs de weg zijn netjes wit. De natuur is daarentegen juist ongekend ruig en ongerept. De Ofenpas loopt namelijk dwars door het Zwitsers Nationaal Park, met stoere bossen en wilde, ongetemde rivieren. Dit is wel wat anders onze Hoge Veluwe!

Dat geldt trouwens ook voor de weg zelf. Wat een fijne strook asfalt! De vloeiende bochten geven het motorrijden echt een extra dimensie. We zoeven de pas over en ik merk dat ik me steeds meer thuis voel op de buddyseat. Ik beweeg inmiddels automatisch mee met de bochten, zónder dat ik steeds voor mij uit hoef te kijken om te zien wat er komen gaat. Blijkbaar zet mijn lichaam de signalen die de motor geeft intuïtief om in de juiste houding. Fijn, want daardoor kan ik nog meer genieten van de omgeving.

Na de pas maken de ruige bossen plaats voor grasland. Wat een contrast! In de wei staan Milka-koeien. Ze hebben een mooi glanzende, grijze vacht en omdat we zachtjes achter een tractor rijden, hoor je de grote bellen om hun nek rinkelen. De koeien lopen op de steile hellingen en hebben duidelijk geen hoogtevrees. De boeren trouwens ook niet. Sommige hellingen zijn zo steil dat het maaien met een handmaaimachine echt een uitdaging is. Ze laten het verse gras drogen in de zon en halen het later weer op. In dit deel van het nationaal park wordt blijkbaar ook hout gekapt. We passeren verschillende houtzagerijen, met grote stapels op elkaar gestapelde planken. De geur herken ik, vers hout. Wat zouden ze daar allemaal wel niet van maken? Op regelmatige afstand van elkaar liggen kleine dorpjes. Bij Santa Maria, even voor de grens met Italië, passeren we een leuk terras. Even stoppen voor een kop koffie, Dennis? Natuurlijk stoppen we even! Het is tenslotte vakantie. Duur is deze koffiepauze wel; voor twee koffie met appelgebak moeten we omgerekend ruim € 26 betalen! Gelukkig maakt het prachtige uitzicht dat we vanaf het terras hebben veel goed.

Middeleeuwse stad

Niet lang nadat we de Zwitsers-Italiaanse grens zijn gepasseerd, rollen we door een middeleeuwse stadspoort het stadje Glurns in. Na al die overweldigende natuur krijgen we op de valreep ook een portie cultuur voor onze kiezen. Daar ben ik helemaal niet treurig om, want Glurns is een heerlijk stadje, met prachtige oude huizen vol bloemen en gezellige terrasjes waar ze perfecte Italiaanse koffie schenken.

Zuid-Tirol
Jawel, in Italië en Zwitserland weten ze wat goed eten is.

We sluiten onze rondtoer af met het onderste stuk van de Stelvio, van Prad naar Gomagoi en dan naar links voor de laatste kilometers naar ons hotel in Sulden. Nog éven mag het gas lekker open, nog éven genieten van het spel met de G-krachten en dan zit het ervoor vandaag op. Althans, voor wat betreft het motorrijden, want in het hotel ga ik éérst lekker genieten van de luxe wellness-faciliteiten en daarna lekker eten. Wat dat betreft hebben de Zuid-Tirolers het goed voor elkaar. Ze zijn nog steeds niet honderd procent Italiaans, maar ook niet meer honderd procent Tirools. En dat ambivalente is best lekker, want op een of andere manier hebben de Zuid-Tirolers het beste uit beide culturen opgepikt. Dolce vita en gründlichkeit gaan hier hand in hand. Knödel meets pasta en pilsener meets prosecco. Proost!

Dit artikel is gepubliceerd in Promotor 4. Hier kun je de route downloaden.

Zuid-Tirol

Zuid-Tirol
I Amsterd… O, nee, Livigno!
Zuid-Tirol
De grens tussen Italië en Zwitserland. Hoezo, één Europa?

Met Hoco Parts naar de Peel

0

Het zuidoosten van Noord-Brabant en het oosten van Drenthe hebben veel gemeen. Het was er zwoegen en zweten om er een boterham te verdienen. En het werken gebeurde vooral in het hoogveen.

De Peel was net als Oost-Drenthe een enorm wingebied voor turf, het goud dat het zuidoosten van Noord-Brabant veel welvaart heeft gebracht. Niet alleen was turf een brandstof in veel haarden, het werd ook als turfmollum naar het westen van Nederland vervoerd. Daar werd het gebruikt om er de bodem vruchtbaarder en luchtiger mee te maken. Turf verdween uit de haarden toen bij Slochteren gas werd ontdekt.

Geurgebied

Ondanks dat de turfwinning werd gestaakt, werd er met de vervening vaart gemaakt. Grote stukken hoogveen verdwenen om plaats te maken voor veeteelt en akkerbouw. Tegenwoordig staat de Peel niet meer bekend om z’n natuurschoon maar vooral om z’n varkensstallen, maisakkers en varkensmest. Fijngevoelige neuzen raden we deze toer dan ook af, al moeten we er wel bij zeggen dat het de laatste jaren veel beter gaat met de geurproductie.

De route

Natuurlijk is het niet alleen maïs en andere landbouwgewassen. De route voert je rond de heidegebieden en bossen die deel uitmaken van het Nationaal Park De Groote Peel. Onderweg raden we je aan even te stoppen bij Bezoekerscentrum de Pelen. Daar word je in korte tijd gewaar hoe het de Peel verging in de geschiedenis. Later in de toer, dicht bij de finish, kom je langs Ysselsteyn, waar veel Duitse soldaten liggen begraven die zijn gesneuveld in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog.

Wil je de route met je smartphone rijden?

De route kun je helaas niet downloaden met je smartphone, omdat afhankelijk van de versie van het operating system je wel of niet een routebestand (gpx) kunt openen in een navigatie -app. Zet de route daarom via je desktop over op de navigatie-app in je smartphone.

Dutch TT, gefeliciteerd met je 95e verjaardag!

0
TT Circuit Assen

Lange tijd leek het erop dat het TT Circuit de 95e verjaardag van de Dutch TT stilletjes voorbij zou laten gaan. Maar een paar dagen ervoor viel er – haast vanuit het niets – toch een uitnodiging op de MotorNL-deurmat voor een wel heel bijzonder feest. Zoals bijna altijd met een onverwacht feestje, werd het een onvergetelijke middag.

Alsof koning Willem-Alexander na zijn bezoek aan de Motocross of Nations 2019 de smaak te pakken heeft en ook komt meevieren tijdens de 95e verjaardag van de Dutch TT. Zo hermetisch zijn de toegangswegen rondom het circuit van Assen afgesloten. Echt enkel met een persoonlijke uitnodiging mag je verder. Overdreven? Nee. Het TT Circuit besluit geen enkel risico te nemen, nadat een week eerder op de Sachsenring heel veel fans op de oorspronkelijke racedag van de Duitse Grand Prix naar het circuit kwamen. Daarnaast staan er op de campings in de omgeving van Assen meer wegraceliefhebbers dan je zou verwachten tijdens een GP die al weken geleden werd gecanceld. Voorzichtigheid is geboden, want als het circuit iets niet wil, dan is het wel een samenkomst als die op de Sachsenring. Die angst blijkt gegrond, want rond 14.30 uur is het een komen en gaan van motoren op de wegen rondom het TT Circuit.

Tristan Lentink – De crash heeft mij gemaakt tot wie ik ben

Het strenge deurbeleid zorgt voor een haast surrealistische sfeer op Assen. Oorspronkelijk hadden er dik honderdduizend man geweest – onder wie mannen als Valentino Rossi en Marc Marquez –, nu zijn het er amper honderd. Maar vergis je niet, grote namen zijn nog altijd aanwezig! Zoals Hans Spaan, die de Dutch TT wist te winnen in 1989 en daarmee onze laatste landgenoot is die dat wist te flikken.

Ook onze eerste wereldkampioen wegrace ooit, Jan de Vries, is aanwezig. In tegenstelling tot Spaan won hij nooit een Grand Prix op het TT Circuit, al was hij daar in 1972 wel heel dicht bij. Tot een puntje van de zuigerveer afbrak en Angel Nieto alsnog als eerste over de finish kwam… Samen met Wil Hartog – waarvan iedereen natuurlijk weet dat hij in 1977 de 500cc-Grand Prix op Assen won –rijdt Jan de Vries een aantal ereronden. Die speciale ronden beginnen om exact 14.00 uur, hét moment waarop het hoogtepunt van de 95e Dutch TT, de MotoGP-race, zou starten. Het geluid en vooral de geur van machines uit een ver verleden maakt gelukkig veel goed, want verder heerst vooral de oorverdovende stilte. En dat op de laatste zondag van juni…

TT Circuit Assen
Jan de Vries (1) en Wil Hartog (30) worden weggevlagd door Hans Spaan (rechts van Hartog), Peter Oosterbaan, directeur van het TT Circuit en TT Circuit-voorzitter Arjan Bos. Voor lege tribunes op exact het moment dat de MotoGP-race gestart zou zijn.
TT Circuit Assen
Het is dat het stevig doorwaaide op het TT Circuit, anders hadden we kunnen spreken van waanzinnig goed raceweer. Dat is op zaterdag wel anders, want op het tijdstip dat de MotoGP-kwalificatie verreden had moeten worden, komt het met bakken uit de lucht. Echt Assen!
TT Circuit Assen
Jan de Vries is inmiddels 76 jaar en Wil Hartog 72 jaar, maar beiden passen nog zonder enige moeite in hun originele, waanzinnig gave racepakken. Het maakt dit beeld af.
TT Circuit Assen
Naast Jan de Vries en Wil Hartog, waren ook Moto2-rijder Bo Bendsneyder, Hans Spaan en het zijspanstel Bennie Streuer (wereldkampioen in 2015) en Ilse de Haas aanwezig. Ze reden geen demo, maar hun aanwezigheid maakte de zondag op Assen nog bijzonderder.
TT Circuit Assen
Misschien wel de meest bijzondere oorkonde ooit, die van de 95e verjaardag van het TT Circuit. Zonder Dutch TT.
TT Circuit Assen