dinsdag 26 mei 2026
Home Blog Pagina 1064

Test ZERO SR/S 2020: Electric Zen

0
Zero SR/S 2020 Test

De elektrische motor heeft meer tegenstanders dan voorstanders. Vooral de wat oudere rijders reageren heel emotioneel op ‘elektrisch rijden’. Jongere motorrijders zijn milder, maar die hebben er misschien ook wel het meeste baat bij. Feit is dat je met de Zero SR/S kunt toeren zonder iets of iemand tot last te zijn. Oftewel: mogen we alvast de Lekdijk terugkrijgen?

Waarom rijden wij hem?

Koolstofdioxide, maximaal 100 km/u op de snelweg: het zijn voortekenen van de nieuwe tijd, waarin we – mogelijk – elektrisch rijden. Allereerst zijn we echter gewoon nieuwsgierig naar hoe de Zero SR/S rijdt.

In alle stilte rijd ik over de D559, maar Route de Saint-de-Bartéhlémy klinkt natuurlijk beter. Zo rond half tien is het nog behoorlijk druk op de kustweg langs de Middellandse Zee. Kennelijk beginnen de rijken der aarde pas na een uitgebreid ontbijt aan hun werkdag. Of zou het voetvolk onderweg zijn naar één van de luxe strandvilla’s aan de kust, waarvan de luiken nog stijf gesloten zijn. Begin maart worden die en masse vakantieklaar gemaakt. Uit jaloezie – of nijd – geef ik een dot gas. Dat zal ze leren, die tweedehuisbezitters! Evengoed had ik water naar de zee kunnen dragen, dat had hetzelfde effect gehad. De motor waarop ik rijd, is totaal ongeschikt om uitslapers ‘luidkeels’ wakker te schudden. De Zero SR/S laat een uiterst beschaafd gegier horen. Daarvan verschiet niemand van kleur.

Gaandeweg de rit langs zee begin ik steeds meer lol te krijgen in de stille Zero. Hoe omschrijf je het rijden erop? Dat is een vraag waarmee ook Zero worstelt. Tijdens de modelpresentatie gisteravond klonk de ene na de andere ronkende marketingkreet, waarvan me er eentje is bijgebleven, die wat mij betreft ook de lading dekt: ‘Electric Zen’.

Zeven jaar geleden had ik hetzelfde gevoel, ook op een Zero. De Amerikaan uit Californië stond nog in de kinderschoenen. Op een veredelde crosser reed ik langs de Noordzee bij Schoorl. En ineens trof de stilte me. Geen geblaf van de uitlaat in mijn helm, maar het gefluit van vogels en sissende wind in een vliegden. Van de weeromstuit ging ik rustiger rijden en genoot volop. Als dit mijn voorland was, had Zero een zieltje gewonnen. Alleen die motor, die moest echt beter. Soms moest ik mij voor het verkeerslicht afzetten om te voorkomen dat de auto achter mij op mij inreed.

Enorme vooruitgang

Hoe anders staat Zero er zeven jaar later voor. De pseudocrosser van weleer is uitgegroeid tot een juweel van een motor. Nu zijn stijl en vormgeving heel erg persoonlijk, maar afwerking is dat niet. Die kun je wel objectief de maat nemen en in dat opzicht klopt de Zero van voor naar achter. ‘Effortless design’ noemt Zero de vormgeving. Wolken, luchtledig, gewichtloos. Het zijn de toetsstenen waaraan de vormgeving moest voldoen. Luchtvaart werd de inspiratiebron voor de aerodynamische eigenschappen. Dat alles heeft geleid tot een heel strakke motor met een heel luxe uitstraling of zoals het jargon voorschrijft: een premiummotor. Daarbij valt natuurlijk de aalgladde stroomlijn op, waarop de rijwind geen vat lijkt te hebben. Het is onzichtbaar op het rijwielgedeelte geschroefd. Nergens een boutje te zien? Hoeveel hoofdbrekens zou dat hebben gekost?

Maar… Zero heeft voor de SR/S ook een accessoire in de aanbieding, een kofferset van Shad. Een bullige kofferset met een gigantische topkoffer, die de Zero wat mij betreft gruwelijk ontsiert. Daarmee wint Zero beslist niet de Red Dot Award, de prijs voor industriële vormgeving die designers maar wat graag op hun palmares bijschrijven. Ik snap best dat Zero niet alle aandacht heeft kunnen besteden aan een volwaardig accessoirepakket, maar met deze kofferset slaat de fabrikant de plank mis. Een setje onopvallende zadeltassen zou beter zijn geweest.

Op de motorrem

Het zijn deze gedachten die me ook door het hoofd schieten wanneer ik de Zero SR/S – een sporttoermachine van het zuiverste water – van bocht naar bocht sleur. De specs van de Z-Force 75-10-aandrijving liegen er niet om: 190 Nm koppel en 111 pk bij 5.000 toeren. Waarden die ruim voldoende zijn voor een dynamische rit langs de kust. Die begint met een draai aan het gas, waarmee ik de carbon belt maximaal probeer op te rekken. De acceleratie is fors, maar niet ongeremd. Cypher III, het besturingssysteem dat alle processen in de Zero in de gaten houdt, voorkomt via het Bosch Advanced Motorcycle Stability Control veiligheidshalve dat het koppel je overvalt en verrast, zodat je niet ongewild balancerend op het achterwiel na verloop van tijd ter aarde stort of je enigszins beroerd voelt door een bijna lethale hartslag… De Zero SR/S is echter ook zeker geen tamme motor.

Elke bocht kun je heerlijk inrollen met de motorrem. Voor het goede had de motor nog wel iets meer mogen afremmen. De mate van motorremmen kun je regelen in de app, maar dat bleek langer te duren dan de tijd die me werd gegeven. Hoe dan ook: was het me op tijd gelukt, dan had remmen op de motor nog gunstiger uitgepakt voor de actieradius. Door motorremmen verandert de aandrijving namelijk tijdelijk in een dynamo en kan die – een beetje – meer energie in de accu’s duwen.

Verder maar weer van bocht baar bocht en vertrouwen op de uitstekende radiale voorremmen van het Spaanse J.Juan. Dat zijn zeker geen premiumremmen, maar op de Zero voldoen ze uitstekend. Je kunt er heel gedoseerd druk mee opbouwen en heel precies mee remmen. Een plotseling stoppende autorijder hief zijn handen ten hemel en hield er rekening mee dat ik in zijn achterbumper zou rijden. Ik had meer dan een meter of twee over, terwijl het ABS niet ingreep. Fijne remmen.

Heilige graal

Tijdens het rijden kun je vier standaard rijinstellingen en vier persoonlijke instellingen inschakelen, allemaal afhankelijk van je gemoed of het weer. Eco en Rain spreken voor zich. Eco is de ‘thuisbrengoptie’, die het meest vriendelijk is voor je accuverbruik. Rain schakel je in wanneer de wegen kletsnat en dus glad zijn. De Sport-modus is de instelling voor een niet al te lange dolle avondrit met vol vermogen en koppel, terwijl de Zero gulzig aan de accu’s zuigt. Street is de instelling waarin ik het merendeel van de route langs de Middellandse Zee en het achterland van Cannes reed. Deze instelling doet de dynamische eigenschappen van de Zero nauwelijks geweld aan, terwijl de actieradius nog op een aanvaardbaar niveau blijft.

Daarbij moet worden aangetekend dat welke instelling je ook kiest, de actieradius altijd afhankelijk is van je rijstijl. Zou ik bijvoorbeeld een toertempo hebben aangehouden om de 130 kilometer lange testroute te rijden in plaats van het straffe tempo van de door Zero ingeschakelde voorrijder, dan zou ik meer ‘accu’ hebben overgehouden dan de twaalf kilometer die na terugkeer bij het hotel op het dashboard prijkte. Zero beweert dat een actieradius van 175 kilometer mogelijk is, met wisselende rijstijlen en – ik denk – weinig sport. Dat getal is voor Zero een soort van heilige graal. Tijdens de presentatie werd gezegd dat onderzoek onder motorrijders leerde dat de gemiddelde lengte van een toertocht zo’n 168 kilometer bedraagt, vanuit huis gerekend. Dan zit je bij thuiskomst met zeven kilometer te gaan nog net aan de goede kant. Had je een Powertank laten installeren, dan was de nood om bij te laden minder nijpend geweest. Dan had je afhankelijk van je rijstijl nog een kleine vijftig kilometer kunnen rijden.

Zuinig opladen

Maar wat als je tocht langer is en je onderweg toch moet laden? Hoeveel tijd vergt dat dan? Die vraag kun je niet zomaar beantwoorden, omdat er diverse scenario’s zijn die de oplaadtijd beïnvloeden. In standaardtrim duurt het zo’n vier uur (AC-laden) voordat het Z-Force 14.4-lithion-ionaccupakket voor 95 procent is opgeladen. Heb je de Powertank (€ 3.364,-) – goed voor 3,6 kWh extra – laten installeren, dan duurt het opladen twee uur, omdat je er dan een tweede oplader bij krijgt. Laat je in plaats van de Powertank de Rapid Charger (€ 3.025,-) – beide kan niet – installeren, dan verkort je het opladen tot goed een uur. Dat is best wel lang, hoor ik je denken, en gedeeltelijk heb je gelijk. Als je haast hebt, is het zelfs te lang. Ben je echter aan het toeren, dan zou het gedeeltelijk opladen van de accu’s ook een goed moment kunnen zijn voor een pauze. En als je thuiskomt, steek je meteen de stekker in het stopcontact. Opladen duurt dan een eeuwigheid, maar je weet zeker dat je Zero er de volgende morgen weer opgepept en opgewekt bij staat. Slimmerds of ‘eurobewusten’ doen het opladen natuurlijk ’s nachts, wanneer de stroom het goedkoopst is. En daarvoor kom je natuurlijk niet je bed uit. Bij thuiskomst zet je de Zero aan de netstroom en het moment van opladen laat je over aan de app.

Gewichtige zaak

Een elektrische motor is in de regel aan de zware kant. Dat komt door de accu’s, die nu eenmaal meer wegen dan een volle tank benzine. De Zero SR/S is met zijn 229 kilo (234 kilo voor de Premium-uitvoering) en gelet op zijn grootte niet eens echt zwaar. Mijn Honda Crosstourer – 270 kilo – is zwaarder en daarop klaag ik ook niet over het gewicht. Zero heeft de accu’s mooi onder de ‘tank’ gesitueerd. In standaardtrim – dus zonder Powertank, die bovenop de accu’s wordt gemonteerd –voel je een beetje dat de motor onder de tank veel massa heeft. Dat betekent beslist niet dat de Zero stuurt als een olietanker. In een serie vlak achter elkaar liggende, krappe bochten is de motor moeilijk vloeiend om te gooien. Zit er meer ruimte tussen, dan is het gewoon heerlijk sturen met de Zero. Ook als je hard inremmend de bocht nadert, heb je iets het gevoel dat het gewicht doorduwt. De manueel volledig instelbare Showa-vering is uitstekend op zijn taak berekend. Wel voel je dat de vering aan de bak moet om het rijwielgedeelte enigszins strak te houden wanneer je de Zero door een kuil in het asfalt stuurt.

Ondernemermotor

Zero vraagt volwassen prijzen voor de SR/S. € 21.900,- voor de standaardversie of € 24.140,- voor de Premium. Dat is zonder Powertank of Rapid Charge en zelfs zonder de EU-stopcontactadapter ter waarde van € 530,-. Vooralsnog lijkt de Zero SR/S nog een motor voor de ondernemer, die via zijn of haar bedrijf – nog steeds – mag rekenen op een forse subsidie, die kan oplopen tot meer dan € 15.000,-. Een al dan niet doorgewinterde privérijder krabt zich na het lezen van prijzen, oplaadtijden en reikwijdtes nog eens achter de oren en stelt zich de vraag: ben ik niet te vroeg met mijn wens om elektrisch te gaan rijden? Daarentegen zullen veganistische motorrijders met vliegschaamte de keuze sneller maken. Dat klinkt misschien wat flauw, maar zo is het wel. Wat betreft levendigheid en dynamica is elektrisch motorrijden gewoon motorrijden. Er kleven nadelen aan, maar ook voordelen: goedkope ‘brandstof’, amper motorgeluid, weinig onderhoud. Als motor zal de Zero SR/S je verrassen, daarvan ben ik zeker, maar je moet er wel klaar voor zijn. Electric Zen, onthoud dat vooral tijdens je proefrit.

Conclusie

Zero is volwassen geworden. Zeven jaar geleden kon Zero me nog niet overtuigen, maar het concept van elektrisch rijden zoemde sedertdien wel door mijn hoofd. Door de geringe geluidsproductie veranderde motorrijden sensationeel. Daar durfde ik als petrolhead voor uit te komen en dat durf ik nog steeds. Het is een heerlijk gevoel dat je in een maatschappij, waarin het individu de ander steeds minder ruimte gunt een hobby kunt uitoefenen zonder iets of iemand tot last te zijn. De Zero SR/S is een elektrische motor, maar wel een heel goede motor. Eentje die de eigenschappen van een conventionele motor evenaart, maar die ook – qua zuinigheid – overtreft. De actieradius zal voor veel motorrijders steeds minder een beletsel vormen, maar € 21.900,- voor de standaard SR/S of € 24.140,- voor de Premium-versie is wel een spelbreker. Wil je de Rapid Charge of Powertank er ook bij, tel dan gerust een dikke € 3.000,- bij de prijs op. Zelfs voor de acculader moet je nog extra betalen. Vooralsnog is de Zero SR/S een motor voor de ondernemer met een eigen bedrijf die gaat voor een vette subsidie van de overheid.

Testredacteur: Jan Kruithof | Foto’s: Zero Motorcycles

Een beetje positiviteit dankzij de Molenaar NSF100 Cup

0

De redactiemail van MotorNL kan het aantal afgelastingen haast niet aan. Van de MotoGP, de MXGP, het WK Superbike en ga maar door. En ga maar door. En ga maar… Allemaal zijn het berichten waar je niet vrolijk van wordt. Gelukkig zijn er altijd positieve uitzonderingen, zoals het persbericht van de Molenaar NSF100 Cup. Deze klasse is namelijk gewoon klaar voor nieuw seizoen, zo lezen we. Huh? Wat!

Naïviteit? Helemaal niet gelukkig. Veiligheid staat altijd voorop bij de Molenaar NSF100 Cup, zowel op als naast de baan. De nieuwe raceoutfits werden dan bijvoorbeeld ook in klein gezelschap uitgereikt en gepast bij Arie Molenaar Motors in IJsselstein. Normaal is dit een hele happening bij Damen Motorkleding in Breda.

NK Junior Moto Racing

Net zoals afgelopen jaar is de Molenaar NSF100 Cup onderdeel van het NK Junior Moto Racing. Vooralsnog staat op zaterdag 11 april op de TT Junior Track in Assen de eerste training op het programma. Er volgt nog een tweede trainingsdag op zaterdag 25 april ter voorbereiding van de eerste racedag op zondag 26 april, ook in Assen.

Wat zou het toch fijn zijn als alles dan weer normaal is. En nee, natuurlijk niet alleen voor de Molenaar NSF100 Cup.

100 kilometer per uur, het is zover…

0
Foto: ANP

Je zou het haast – of zelfs helemaal – vergeten door al het corona-nieuws, maar vanaf 6.00 uur vanmorgen geldt op de Nederlandse snelwegen overdag een maximale snelheid van 100 kilometer per uur.

Overdag? Ja, want gelukkig mag je op sommige stukken tussen 19.00 uur en 6.00 uur nog wel 120 of zelfs 130 kilometer per uur. Dit is op de snelwegen waar dat voorheen ook al het geval was, zoals je eerder kon lezen op MOTOR.nl.

4.000 borden

De aanpassing van de maximumsnelheid voor overdag betekende dat Rijkswaterstaat 4.000 borden door heel Nederland moest aanpassen en/of bijplaatsen. De aanpassing van borden was het grootst in Limburg en Noord-Brabant, daar werden een kleine 2.000 borden aangepast. Zeeland heeft de minste borden die aangepast moesten worden, daar ging het om ongeveer 60 stuks.

Mocht je onderweg twijfelen over de maximale snelheid, is het goed om te weten dat de maximale snelheid die op de borden staat altijd de snelheid is waar je je aan moet houden.

Geen IJsspeedway Heerenveen zorgt voor bizar einde WK

0
2020-wereldkampioen Daniil Ivanov in Togliatti (Rusland). Foto: Good-Shoot

Met nog twee ronden te gaan, is de Rus Daniil Ivanov Wereldkampioen IJsspeedway geworden, voor zijn landgenoten Dmitry Khomitsevich en Dinar Valeev. Normaal gesproken is het geen nieuws dat drie Russen bovenaan staan, maar in dit geval wel. De WK-eindstand was namelijk eigenlijk de WK-tussenstand met Inzell en Heerenveen nog op het programma. Alleen nadat Inzell al niet doorging, geldt dat nu ook voor Heerenveen vanwege het coronavirus… Jasper Iwema heeft hierdoor het seizoen afgesloten op plek 17 terwijl Bart Schaap 18e is geworden.

De organisatie van Heerenveen laat in een reactie het volgende weten:

‘Na consultering van verschillende experts en overheidsinstanties hebben de Stichting IJsspeedway Assen en het Thialf stadion moeten besluiten het evenement te cancelen. De verantwoordelijke instanties verwachten niet dat de situatie in Nederland op korte termijn zal normaliseren en dat de genomen maatregelen zullen worden ingetrokken. Het spijt ons dat wij na 48 jaar ijsspeedway onze fans moeten teleurstellen maar de omstandigheden nopen ons tot dit besluit. Wij hopen jullie in 2021 weer te mogen begroeten!’

De mensen die al kaarten hebben gekocht, krijgen hun geld terug. Deze week volgt informatie over de wijze waarop, aldus de organisatie.

Zondagochtendfilm: Terug naar Valkenswaard

0
Foto: KTM

Het valt allemaal niet mee om zelfs maar een beetje internationale motorsport te zien op dit moment en dus gaan wij terug naar vorige week zondag. Terug naar de MXGP van Valkenswaard. Oké, het regende wel een beetje maar er werd tenminste wel gecrosst. En hoe! Geniet er van.

Onderhoud: Steekproef Motoren – Klaar voor de lente?

0
Steekproef APK Motor

Ook wij vinden het ontbreken van een APK voor motoren logisch. Als motorrijders onderhouden wij onze trots immers uitstekend. Toch leert een kleine steekproef op MOTORbeurs Utrecht ons dat bijna de helft van de motorrijders niet genoeg lucht in z’n banden heeft. Oppompen, dus!

Geen zorgen, wij pretenderen met ons beperkt gevulde gereedschapskistje zeker geen goede, diepgaande technische keuring uitgevoerd te hebben. Nee, we keken oppervlakkig naar de staat van de motoren op gemakkelijk meetbare punten van de banden en de rempartij. Met een goed gesprek over de staat van de motor als doel: ‘Zeg, hoe staat het eigenlijk met het onderhoud aan je motor?’

Eén opvallend resultaat: nog niet de helft van de ondervraagden wist de bandenspanning van hun banden te benoemen. Niet de door de fabrikant voorgeschreven spanning, maar ook niet de spanning waarbij ze ’s ochtends van huis vertrokken. Nogal logisch dus dat ook bij meer dan de helft van de ondervraagden, de bandenspanning ondermaats was. Vooral de voorbanden bevatten vaak niet meer dan 2 bar. Dat heeft niet alleen slechte invloed op het stuur- en remgedrag, maar ook zeker op de slijtage. Echt zonde, want het meten van de spanning is een klusje van niets, net zoals het oppompen. De personen die wij spraken bezitten geen bandenspanningsmeter en daar gaat het eigenlijk al mis.

Het is alleen de druk…

Het goede nieuws? Na een speurtocht in de parkeergarage van de MOTORbeurs vonden we pas na 38 motoren één voorband, waarbij de DOT-code op de band en de lichte uitdrogingsscheurtjes verraden dat de band z’n eigenlijke gebruiksduur heeft overschreden. Maar, om in APK-termen te blijven, er bestaat geen maximale leeftijd voor een band. Het gaat dus vooral om slijtage en uitdroging. Een kwestie van goed kijken.

Bij meer dan de helft was de bandenspanning ondermaats.

De profieldiepte is wél wettelijk vastgesteld en die moet bij motoren 1 millimeter zijn. Let wel, het gaat om het profiel bij de profieldiepte-indicator. Je-weet-wel, dat gekke blokje in een profielstreep. Toch is 1 millimeter in onze ogen al veel te laag, en dus deelden we pas bij 2 millimeter of meer een groen vinkje uit in de steekproef. Overigens is de profieldiepte-indicator meestal geen 1 millimeter maar 1,6 millimeter diep, omdat dat in het buitenland de wettelijke grens is. In de Verenigde Staten is de grens 0,8 millimeter, net zoals dus sommige indicatoren. Oftewel: met een eigen profieldieptemeter weet je het eigenlijk pas echt zeker.

En het anker?

We hebben niet de brutaliteit genomen om remvloeistofpotjes open te schroeven, en hielden het bij onze meting oppervlakkig: remblokken en remschijven werden geïnspecteerd. Waarbij we lang niet de foutjes konden ontdekken die we wel bij de banden vonden. Vrijwel alle remblokken waren nog niet voor de helft versleten en logischerwijs was het qua dikte van de remschijven al helemaal in orde. Eigenlijk zag de gehele verzameling aan remvloeistof er op het oog ook gewoon vers, helder uit. Droge kettingen zagen we genoeg, maar exemplaren die aan onmiddellijke vervanging toe waren niet.

Al met al stonden alle motoren er prima bij, op de te zachte banden na. En dus zullen wij ons volgend jaar niet alleen maar met meettemperatuur opstellen in de parkeergarage van de MOTORbeurs; we beloven een compressor mee te nemen om de terugreis geheel volgens de voorgeschreven spanning te laten verlopen. En dan zul je merken dat je motor stuurt alsof je nieuwe banden hebt!

Welke spanning?

Ook bij stilstand verliezen je banden aan spanning. Heb je geen idee welke spanning jouw motorbanden moeten hebben? Wij houden meestal 2,4 bar in de voorband en 2,9 bar in de achterband aan als we het even niet weten, al is dat een beetje afhankelijk van het type band. Máár, eigenlijk moet je het gewoon even opzoeken op de website van de fabrikant. Het is belangrijk dat je deze druk koud meet, en dus niet vlak na het rijden. Een keer investeren in een goede bandenspanningsmeter is goud waard en een kleine compressor voor in de garage kost ook de wereld niet.

Internet is je vriend, maar ga wel voor de officiële opgave.

Hoe oud is jouw motorband?

Nou, die vraag kun je gemakkelijk beantwoorden. Op de wang van de band vind je een DOT-code die eindigt met vier cijfers. De laatste twee cijfers staan voor het jaar van productie, de eerste twee voor de week. Code 5219? Dan is de band in week 52 van 2019 geproduceerd. In principe mag een band best een paar jaar oud zijn. Tot vijf jaar oud betekende bij onze steekproef bij de MOTORbeurs een groen vinkje. Toch blijven banden die goed zijn opgeslagen (droog, koel en donker) met gemak vier, vijf jaar goed. Zitten ze eenmaal onder je motor, dan gaat het natuurlijk een stuk harder. Overigens, als je een drie-cijferige DOT-code op je band vindt, dan is-ie van voor het jaar 2000. Ofwel: die is al een paar jaar aan vervanging toe.


Arthur van den Berg – Yamaha Super Ténéré

Arthur heeft alle vertrouwen in z’n Ténéré. Hij mist dan ook alleen een paar tiende bar in z’n achterband.

BouwjaarNiet bekend
BandenBridgestone Battlax
BandenspanningMatig
ProfieldiepteGoed
Ouderdom bandenGoed
RemblokkenGoed
RemschrijvenGoed

Dennis Kuis – Triumph Tiger 800

‘Waarom zit ik hier een spliksplinternieuwe Tiger te checken?’

Bouwjaar2019
BandenMitas E-07 Trail
BandenspanningGoed
ProfieldiepteGoed
Ouderdom bandenGoed
RemblokkenGoed
RemschijvenGoed

Manon Plug – Honda CB500

Manons voorband is een goed voorbeeld van het belang van een goede inspectie, hetgeen ze zelf ook al had gedaan.

‘Ja, van die gecupte voorband zijn we ons bewust en daar gaan we dan ook zeker wat aan doen.’

Bouwjaar1994
BandenBattlax BT45
BandenspanningGoed
ProfieldiepteMatig
Ouderdom bandenGoed
RemblokkenGoed
RemschijvenGoed

Loek LankhorstSuzuki GS500

De GS van Loek is een typische motor die op het oog wat ouder is, maar dankzij goed onderhoud onberispelijk blijkt.

‘Mijn monteur heeft ’m in december nog een grote beurt gegeven, dus ik heb alle vertrouwen!’

Bouwjaar1992
BandenBattlax BT45
BandenspanningGoed
ProfieldiepteGoed
Ouderdom bandenGoed
RemblokkenGoed
RemschijvenGoed

Jordy de VuystKawasaki Z800

De Z800 van Jordy is in optimale staat. En gelukkig voor hem hadden we geen dB-meter bij ons…

‘Het onderhoud doe ik zelf.’

Bouwjaar2013
BandenDunlop Sportsmart TT
BandenspanningGoed
ProfieldiepteGoed
Ouderdom bandenGoed
RemblokkenGoed
RemschijvenGoed

Claudia LippmannKawasaki Z750

Wettelijk gezien staat de Z750 van Claudia er top bij, maar gedurende het seizoen zal er wat nieuw spul nodig zijn.

‘Het onderhoud besteed ik uit. In de afgelopen twee jaar heeft de Z zowel een kleine als een grote beurt gekregen.’

Bouwjaar2006
BandenMichelin Pilot Power 3
BandenspanningMatig
ProfieldiepteMatig
Ouderdom bandenGoed
RemblokkenMatig
RemschijvenGoed

Lucien Korver – Suzuki GSX1250FA

Geheel standaard en in tip-top-staat: de GSX van Lucien.

‘Eind 2018 heb ik ’m nog voor goed onderhoud naar de dealer gebracht.’

Bouwjaar2013
BandenBridgestone BT023
BandenspanningMatig
ProfieldiepteGoed
Ouderdom bandenGoed
RemblokkenGoed
RemschijvenGoed

Erik van der Hoeven – Yamaha FJ1100

Dat motorrijden niet duur hoeft te zijn, bewijst deze FJ1100 van Erik, hier met z’n zoon als duopassagier.

‘Ik heb deze FJ gekocht voor € 400,- en ben er al driemaal mee op en neer naar de Alpen geweest. Het onderhoud doe ik zelf, maar ik moet zeggen dat ik deze winter de banden nog niet heb opgepompt.’

Bouwjaar1983
BandenBridgestone BT045
BandenspanningSlecht
ProfieldiepteGoed
Ouderdom bandenGoed
RemblokkenGoed
RemschijvenGoed

Stefan Laarman – Yamaha XT660X

Is deze op? Ja en nee. Gemeten bij de slijt-indicator mag deze wettelijk gezien nog gewoon de weg op.

‘Is mijn achterband op? Nee, dat wist ik niet. En trouwens, ik ben er niet mee gevallen, de schade komt door een aanrijding met een eend.’

Bouwjaar2005
BandenMichelin Pilot Power
BandenspanningMatig
ProfieldiepteMatig
Ouderdom bandenGoed
RemblokkenGoed
RemschijvenGoed

Test KTM 390 Adventure 2020

0
KTM 390 Adventure Test 2020

De KTM 390 Adventure 2020 lijkt op het eerste gezicht een 390 Duke met enkel wat meer veerweg en een typisch KTM allroadsnuitje. De kleinste Oostenrijkse allroad is echter meer dan dat, verrassend veel meer.

Waarom rijden wij hem?

De potige KTM 1290 Adventure geeft ons kriebels. Van de geestdriftige 790 Adventure gaan we spontaan glimlachen. Is de 390 uit hetzelfde Oostenrijkse hout gesneden als zijn grote broers?

De meeste reclameboodschappen slaan in de praktijk als een drol op een drumstel, maar de 390 Adventure maakt zowaar waar wat KTM belooft. De Oostenrijkers noemen het een avontuurlijke motorfiets voor elke dag. Dat wekt verbazing. Een eencilindertje van nog geen 400 cc met 44 pk dat goed genoeg is voor het dagelijkse verkeer? Het zijn waarden die je verwacht bij een scootertje dat je huurt op een zonnige vakantiebestemming. En met zo’n waggelend ding heb je weinig te zoeken op een overvolle A2 of op een provinciale weg met een achttientonner beeldvullend in de spiegels. De 390 Adventure voelt zich op beide terreinen wel thuis. Zelfs offroad speelt hij nog iets klaar.

Blijft verrassen

De basis van de nieuwkomer is de 390 Duke, met zijn stalen frame en monoblok een ogenschijnlijk eenvoudig machientje. Toch is de kleinste loot van de Adventure-tak verbazingwekkend compleet, met een mooi tft-dashboard, een 12V-aansluiting, uitschakelbare traction control, bochten- en offroad-ABS, een vet aluminium stuur en instelbare voor- en achtervering. Het is een complete motor voor € 7.300,-. Daarmee is hij marginaal duurder dan concurrent BMW G310GS, maar die heeft slechts 34 pk. Aan de andere kant kost een Kawasaki Z650 – om het in perspectief te plaatsen – ­ slechts € 600,- meer dan de KTM.

De eerste verrassing dient zich op de parkeerplaats aan. Met mijn 1,80 meter vind ik een prima plek. Het zadel staat op een respectabele 855 millimeter en ondersteunt je achterste goed. De benen hebben volop ruimte, de kniehoek is riant en de voetsteunen zijn breed, zodat je in offroadgedeeltes lang kunt staan. De benen sluiten prachtig aan op de smalle tank. Als dan ook het stuur nog eens precies daar staat waar je het verwacht, is het feest compleet. Natuurlijk houdt het minimale windscherm amper wind weg, maar de windstroom is turbulentieloos. Lange afstanden hoeven geen probleem te zijn.

De verrassing houdt aan als we over perfect asfalt koers zetten naar de vulkaan Teide. Natuurlijk stuurt de 390 Adventure licht, maar ook voorspelbaar en neutraal. Waar je met lichte motoren de eerste bochten meestal in de binnenbocht eindigt, stuurt de KTM direct daarheen waar je hem heen dirigeert. Ook in snellere bochten blijft hij mooi op koers. Een heupbeweging is voldoende om hem de bocht in te leggen, maar verder laat hij zich niet snel van de wijs brengen.

TestlocatieTenerife
OmstandighedenZonnig en Droog
Temperatuur20 graden
Testkilometers160 (25 offroad)
BijzonderhedenGeen

#DOESLIEF

Ook op het rechte eind houdt de KTM zijn koers, al vliegt hij wel van links naar rechts tijdens de harde windvlagen die de kust teisteren. Het pluimgewicht van 172 kilo heeft er schuld aan. Versnellen in zes op vals plat en met de stormachtige tegenwind is grappig en tegelijk ontluisterend. Het toerental kruipt net zo traag omhoog als de snelheid. Om vooruit te komen, moet het blok toeren maken. Het maximumkoppel van 37 Nm bevindt zich bij 7.000 toeren en het is zaak om daarbij in de buurt te blijven. Hou de naald tussen de 6.000 en 10.000 voor het beste resultaat. Rood begint bij tien en dan mag het blok nog tweeduizend toeren maken, maar je kunt beter eerder overschakelen. Mag ik een verzoek doen aan alle KTM-dealers? Trakteer elke 390 Adventure-koper in het kader van #doeslief op de quickshifter. Die werkt goed en maakt het rijden nog leuker.

Over leuk gesproken: hoe geinig is het in dagelijkse Nederlandse verkeer om altijd aan het gas te moeten hangen? Het is leuk om samen met de KTM overenthousiast te dansen op een vulkaan, maar in Nederland is daar niet altijd de gelegenheid voor. Wees gerust: ook bij lagere toerentallen gedraagt de kleine Adventure zich netjes. Dorpjes hoef je niet te doorkruisen met een loeiende eencilinder, want dat kan ook laagtoerig zonder bokkend blok. Dat is het voordeel van het kleine zuigertje. Daardoor blijven ook de trillingen tijdens het rijden beperkt. Natuurlijk voel je ze bovenin, maar alleen in de voetsteunen en niet storend.

Knallen als in Dakar

De voorvork en monoschokdemper zijn van WP, maar uit de categorie budget. Toch leveren ze puik werk. Ze bieden een mooie combinatie tussen comfort en strak genoeg voor een stukje sturen. Het rijwielgedeelte is in balans, zeker na het opschroeven van de veervoorspanning achteraan. Daarna had ik iets minder ‘momentjes’. Die schrijf ik overigens ook toe aan de bandenspanning van 2,0 bar. Volgens KTM de voorgeschreven druk voor de Conti’s, maar het voelt als te weinig.

De remmen van Bybre doen het – het wordt voorspelbaar – goed. Ze leveren meer gevoel dan je van een Indiaas product verwacht. Met de stopkracht zit het wel snor, maar dit laat zich ook nog eens fijn doseren.

De 390 Adventure lijkt inderdaad uit hetzelfde hout gesneden als zijn grote broers. Het design is messcherp, het rijwielgedeelte uitgekiend, het rijgedrag speels en ook deze KTM nodigt je uit om te vlammen, al blijft dat door het geringe vermogen binnen de perken.

Alleen offroad blijft de 390 achter bij zijn broers. Plotseling is de motor wel aan de kleine kant waardoor je wat gebocheld staat. Het weerhoudt de KTM-voorrijders er niet van om te knallen. Niet verrassend bij ex-Dakar, -Romaniacs en -Erzberg-rijders. Wie zich zorgen maakt om gietwielen op onverharde wegen moet de promo-video’s eens bekijken. Die gasten rossen er genadeloos overheen. Dat is ook de manier om de 390 te rijden. Ook in het terrein vraagt hij om toeren en dat vergt gewenning. Zelf rij ik technische passages graag als ’trialist’ op koppel. Dat gaat echter niet met deze KTM, die vraagt om laagvliegen.

Conclusie

De 390 Adventure is een volwassener motorfiets dan je op basis van zijn cilinderinhoud verwacht. Dit is niet de zoveelste lichtgewicht met hoogst twijfelachtige rijeigenschappen, dit ding heeft daadwerkelijk wat in zijn mars. Het begint er al mee dat hij meer dan voldoende plaats biedt aan een volwassen Nederlander. Bovendien is het blok krachtig genoeg om diezelfde Nederlander vlot door het verkeer te laten bewegen, al vraagt dat wel om toeren draaien. Sturen gaat vanzelfsprekend licht, maar het rijwielgedeelte biedt wel vertrouwen. Ook in langere bochten blijft het geheel strak, zeker als je een vloeiende rijstijl aanhoudt. De uitrusting staat op een hoog niveau, het comfort ook, plezier is verzekerd en de aanschaf- en onderhoudskosten zijn te overzien. Deze 390 Adventure slaat een brug tussen twee lastig te verenigen werelden, die van emotie en die van ratio. Dit is een motorfiets die een zuinige/rationele motorrijder puur – volledig terecht – met het hoofd koopt, maar hij krijgt er gratis en voor niets een hele dosis pret bij. Al moet je wel van gas geven houden.

Motorleven: Ilona Feldmann

0
Yamaha Fazer 600 Ilona Feldmann

Vroeger zat ik prinsheerlijk achterop de Kawasaki ZZR600 van mijn man. Toen hij echter een gele Yamaha R6 zag en die moest en zou hebben, ben ik zelf gaan lessen. Op die R6 wilde ik echt niet achterop, dat was te eng. Ooit eerder had ik één proefles en daarin ging ik direct onderuit. Ik wist niks, had nooit brommer gereden, maar die instructeur liet me toch van alles doen. Toen hij vertelde dat hij in de tweede les al het dagelijks verkeer in wilde gaan, ben ik nooit meer komen opdagen.

Paspoort

Leeftijd56
WoonplaatsHilversum
Rijbewijs sinds2012
MotorfietsYamaha Fazer 600
Kilometerstand31.000
In bezit sinds2012
Aantal gekochte motoren2
Aantal verkochte motoren0

Mijn tweede instructeur deed het veel beter en hij praatte uit mijn hoofd dat ik een chopper moest hebben. Ik zag mezelf wel zitten met zo’n stoer jack en stoere laarzen, maar hij wilde me op iets dat wel stuurt. Het is deze Fazer geworden. Mijn man en ik hebben hem gepimpt met een gelzadel, onderkuip, kuipruitje en nog meer moois. Alles moet qua kleur wel matchen, dat moet een vrouwendingetje zijn. Deze motor doe ik nooit meer weg, ik hou van dit ding. Ik hou ook van Superbike, BSB en MotoGP, sterker nog: ik ben er leip van. Ik ben weg van racemotoren, maar door een geopereerde schouder kan ik er niet op rijden. Toch ben ik ook happy met dit “oudje”. Ik ben een luxe-poes, vandaar de handvatverwarming, maar deze motor is het ook. Hij staat droog en warm in de schuur en na elke rit poetsen we hem.

Motoren in mijn leven

Yamaha Fazer 600 (eerste motor)
Yamaha R6 (als cadeau)
Yamaha Fazer 600

Yamaha Fazer 600

Dubbeltest: Triumph Speed Twin – BMW R nineT Option 719

0
BMW R nineT Option 719 - Triump Speed Twin

Retrobattle

Welke van deze retro-modellen biedt met inachtneming van betaalbaarheid het meeste kijk- en rijplezier?

Triump Speed Twin

Als het om het scoren van opgestoken duimpjes gaat, is de Triumph geen winnaar in deze test. Een ware retro-purist zal zich hieraan storen. Immers, deze Speed Twin is de échte retro. Vink maar mee: stereoschokdempers, ogenschijnlijk geen katalysator, twee laaghangende uitlaten en koelribben zoals ze ze vroeger maakten. De Brit is ‘clean’ en biedt een mooi doorkijkje langs het blok. Zowel heel erg retro als ontegenzeggelijk mooi. Mooi genoeg om in je woonkamer te parkeren, maar dat gaan we voor deze test dus lekker niet doen. We gaan rijden, op deze Speed Twin die door Triumph is gepresenteerd als ideaal compromis tussen de Thruxton en de T120. Het hoge, brede stuur van de laatste, gecombineerd met het romige, rappe blok van de Thruxton, die ten opzichte van de T120 beschikt over een lichtere krukas en een gewijzigde ECU. Ofwel: dit blok voelt wat levendiger en meer alert. En als ik je dan ook nog vertel dat de Speed Twin zo’n tien kilo lichter is dan de Thruxton, vooral dankzij de lichtere wielen, heb je wellicht al een beetje een idee van de karaktertrekken.

Triumph Speed Twin

Deze Brit, met twee staande cilinders van 600 cc per stuk, oogt oprecht klassiek. Maar, zal de Triumph zich onderhuids net zo goed en modern gedragen als de BMW?

Bakkes in de wind

Zo op het eerste gezicht staat de Speed Twin lekker op z’n neus, alsof-ie je persoonlijk wil uitnodigen die bocht iets harder dan gewoonlijk aan te vallen. De zit is laag, met 807 mm, en de 270graden-krukas zorgt al na omdraaien van de sleutel voor een aangename, diepe roffel. Die heeft er zin in! Met de zon aan de hemel en de rap opwarmende twin tussen de benen is het tijd om wat verkoelende rijwind op te zoeken. Even bladeren door de aanwezige rijmodi: Rain, Road en Sport. We selecteren de middelste om wat B-wegen onveilig te maken. Die twee grote, klassiek ogende klokken voor je neus, bakkes in de wind en genieten maar van dat alom vertegenwoordigde koppel, dat zich in bijna ieder toerengebied boven de 100 Nm bevindt. Lekker comfortabel, en dat geldt ook voor het veergedrag van de Speed Twin. Oneffenheden worden bijna relaxed weggewerkt en in soepele doordraaiers gedraagt de Speed zich eerder goedmoedig en tevreden dan op-het-randje sportief. Het Kayaba-veerwerk is relatief vriendelijk, zeker in vergelijking tot de BMW, waardoor de feedback wat minder duidelijk wordt als je echt tot het gaatje in de aanval gaat. Let wel, dan ben je de boel aan het uitwringen, want bij normaal sportief gedrag is er geen vuiltje aan de lucht en kun je genieten van het feit dat je achterwerk op de comfortabele zitbank gewoon keurig op z’n plek blijft, hoewel het zadel glad oogt.

De remmen, vierzuigerknijpers van Brembo, vertragen desgewenst met oerkracht, maar zijn voor normaal gebruik mooi te doseren en passen zo naadloos in het Britse, beschaafde karakter van de Speed Twin. Het gemonteerde, nogal sportieve rubber zorgt wel voor een kleine spagaat. Dat past niet persé bij het iets meer goedmoedige karakter van de Triumph. Maar ach, die bravoure past dan ook wel weer bij het tijdperk dat de Speed Twin voor ogen heeft.

En de prijs?

Bij Triumph is de Speed Twin weliswaar geenszins goedkoop, maar vergeleken met de BMW is het een aanbieding, die vanaf-prijs van € 15.200,-. Maar voordat we ons daar blind op staren, moeten we toch ook benoemen waarom de Brit niet de duurste is. Neem de nauwelijks instelbare vering, die weliswaar klassiek oogt, maar met de stereoschokdempers nou eenmaal ook een betaalbare oplossing kiest. Datzelfde geldt voor de simpele voorvering met klassieke stofhoezen, die schril afsteken tegen de modernere gouden upsidedownvork van de BMW. Maar, dit zijn slechts opmerkingen en geen aanmerkingen. Want juist als het gaat om een oprecht klassiek voorkomen, dan is de Triumph simpelweg troef. De vraag is ook maar in hoeverre je een upsidedownvork nodig hebt op een retro. Of zelfs een radiaal gemonteerde rempartij? De BMW heeft het, maar bij de Speed Twin mis je het niet. Nee, aan boord van de Triumph weet je het eigenlijk wel: het is goed zo, laat maar gaan, die BMW…

Plus

Details, comfortabel, koppelbeest, elektronica

MIN

Tankinhoud, banden te sportief voor motor

BMW R nineT Option 719

Sorry hoor, maar ik begin toch weer even over de opgestoken duimpjes, die ik voor het gemak beschouw als graadmeter van oppervlakkige schoonheid. Nou, dan wint de BMW de strijd. Mede dankzij het ‘vol in je smoelwerk’-verfwerk van het ‘Option 719 stijlpakket Classic’, dat de R NineT eruit doet zien alsof-ie uit staat te hijgen van een stoffige 24-uursrace in de buurt van Daytona. Of iets in die trant. Toch zou je zeggen dat de R dit pakket helemaal niet nodig heeft om ervandoor te gaan met de schoonheidsprijs. Hij staat natuurlijk alweer vijf jaar in de schappen van BMW en hoewel er in die jaren is uitgebreid van een eenling naar een compleet segment; nog steeds is die originele R NineT een prachtverschijning. Wat minder Retro, wat meer ‘modern classic’ dan de Triumph overigens en dat blijkt alleen al uit de moderne monoshock, die de cardan-aangedreven achterpartij in toom houdt. Die gouden, volledig instelbare upsidedownvork doet trouwens aardig mee in de moderne gedachte, zeker in vergelijking met de traditionele configuratie, voorzien van harmonicarubbers, aan de voorzijde van de Triumph.

BMW R nineT Option 719

In deze opvallende ‘Option 719’-kleurstelling schreeuwt de BMW het retro-zijn van de daken. Toch heeft BMW de nodige in het oog springende concessies gedaan om ’m aan de huidige maatstaven te laten voldoen.

Maar als je wat langer kijkt naar de BMW, valt toch op dat het ronde frame en motorblok visueel wat rommelig zijn, zeker in vergelijking met de strak afgewerkte Triumph. Het beroemde boxerblok komt visueel net even wat minder lekker uit de verf dan de Britse twin, maar de uitlaatloze rechterkant biedt dan vervolgens wél weer een fraai uitzicht op de enkelvoudige achterwielophanging van de BMW. Goed, wellicht wat veel tekst over de looks, maar dat is tenslotte een heel belangrijke reden om een aanschaf uit het segment der moderne retro’s te overwegen en dus loont het de moeite naar beide machines uitgebreid te staren.

Boxer op leeftijd

Waar ik de Britse twin omschrijf als een beschaafd blok, tapt deze BMW uit een ander vaatje. De boxer, inmiddels al aardig op leeftijd, draait als vanouds wat rommeliger, meer nukkig rond dan de soepele twin van de Triumph. Dit blok zou keurig passen in het plaatje Retro en Emotie, ware het niet dat we door BMW inmiddels verwend zijn met een opgewaardeerd boxerblok. En dan gaat het natuurlijk over die heerlijke ShiftCam-variant, die het oude lucht- en vloeistofgekoelde blok in alle andere boxermodellen naar grote tevredenheid heeft opgevolgd. Hadden we in jaren nauwelijks iets aan te merken op de R NineT, inmiddels weten we hoeveel beter dat ‘boxeren’ kan en dat leidt toch wat af. Daarbij is hij een flink portie zwaarder dan de Speed Twin, zo’n 222 kilo tegen een kleine 200 stuks, en ontbeert de ‘R’ moderniteiten als verschillende rijmodi en uitschakelbare traction control. De vering is dan weer wel volledig instelbaar, zij het handmatig. En als je wilt weten wat er nog in de tank zit: dat wordt gissen, want afgezien van je actuele verbruik in het display en een brandend lampje als je leeg dreigt te raken, blijft de inhoud van je tank een compleet raadsel.

BMW R nintT Option 719 Test

De zitpositie is duidelijk minder op comfort ingericht dan zijn Britse tegenhanger, vooral de kniehoek is scherper, maar eenmaal in het zadel is het prima uit te houden. En genieten. Want zeker in verhouding tot de Speed Twin is de BMW wat lomper, wat meer onbehouwen, het blok wat nukkiger en dat is eigenlijk precies wat je verwacht van deze machine. Die boxer lekker laten knorren en liefst onuitputtelijk lekkere doordraaiers pakken. De remmen zijn voortreffelijk wat mij betreft; niet te bijterig, maar juist heel fraai te doseren. Daarbij kun je voor nog wat draaien aan vering en demping, zodat hij stevig genoeg wordt om lekker aanvallend te rijden. Kont tegen het fraaie kapje over de duozit en gáán. Dan valt dat karakter van het ‘oude’ blok ineens weer op z’n plek en is het genieten van de R NineT zoals we hem alweer jaren kennen. En ja, dat sleuren gaat wat minder ‘smooth’ dan bij de Triumph. Ook fijn: altijd weer even dat momentje dat je bij het afstappen je schenen blauw trapt tegen de cilinderkop… Zo’n BMW mag soms een beetje pijn doen, zullen we maar zeggen.

Ook pijn in de portemonnee

En die pijn is ook financieel. Want duiken we even in de prijslijst, dan wordt al gauw duidelijk dat BMW in deze test aan kop gaat. Helemaal standaard op de lijst vind je de R nineT voor een forse € 18.350,-, en dat is dan nog zonder ‘Optie 719’. Voor zo’n kek lakwerkje dien je er nog eens € 1.157,- bij op te tellen. Bijna twintig mille voor een relatief eenvoudige naked bike. Het wordt er blijkbaar voor betaald. Wel moeten we opmerken dat je als koper ook voor de ‘Pure’-variant kunt gaan: zonder spaakwielen, instelbare vering en dikke rempartij. Tsja, misschien was dat wel een betere uitdager van de zo pure Speed Twin geweest, al blijft het prijsverschil fors.

Plus

Boxerbeleving, high-end onderdelen, duimpjes

Min

Zwaarder, duurder, toch nukkig zo’n boxer

Meten is weten

Ja, beide blokken zijn sterk. Maar de Speed Twin spant toch wel de kroon, zoals we dat bij zowel de drie- als de tweecilinders van Triumph gewend zijn. De koppelkromme is ronduit indrukwekkend, zowel qua vlakheid als qua topwaarde: 123,3 newtonmeter is wat de paralleltwin produceert. Veelzeggend is dat-ie vanaf 2.500 toeren per minuut tot bijna 7.000 boven de 110 newtonmeter piekt.

Rood = Triumph | Blauw = BMW

Tsja, dan kan een boxerblok nog zo bullig aanvoelen, de vlakheid van de rode lijn is simpelweg onaantastbaar. Zoals je ziet, tekent de BMW een iets meer levendige lijn, om het maar even positief te benaderen. Een boxer is natuurlijk sterk van onderuit, maar niet persé de meest vlakke qua vermogensopbouw. En toch verdient dit blok ook gewoon complimenten. Eveneens vanaf 2.500 toeren per minuut beresterk, met nog net een beetje meer ademruimte bij hele hoge toeren, wanneer de Triumph al de handdoek in de ring gooit.

Conclusie

Gastrijder Remco weet het gevoel dat deze beide motoren opwekken goed te omschrijven: ‘Weet je, ik word best hebberig van beide machines!’ Tsja, het zijn simpelweg beide prachtige machines. De Triumph op ingetogen klassieke wijze, de BMW in deze lak-optie een stuk uitbundiger. ‘Maar als ik dan moet kiezen, dan zou ik toch voor de Triumph gaan. Die rijdt makkelijker en het blok is een stuk soepeler, terwijl dat blok toch juist zo sterk is’, zo vervolgt Remco zijn persoonlijke, maar veelzeggende conclusie.

Dat hadden we vooraf toch een beetje anders ingeschat. Want de BMW R nineT Option 719 imponeert met z’n instelbare upsidedownvork, radiaal gemonteerde remklauwen en andere, meer exotische onderdelen. Toch is dat ook de spagaat die de R NineT maakt; een spagaat die in dit retro-segment wat overdreven sportief op z’n poten staat. En prijzig is, ook dat. Nou moeten we opmerken dat de NineT Option 719 er ook in een kalere uitvoering is, maar bepaalde minpunten blijven dan wel overeind. En daar is het nukkige blok er toch zeker een van.

De Triumph Speed Twin staat in eerste instantie ook sportief op z’n hoeven, maar na het rubber houdt dat ook direct op. Klassieke stereoschokdempers, een simpele telescoopvork en axiaal gemonteerde remklauwen houden het budget klein, maar zijn al met al prima in balans. De Triumph is simpelweg gemakkelijk te berijden en legt een deken van ontspanning over je rit. Maar saai, dát wordt het geen moment. Dat heeft weer te maken met het zo dikke motorblok dat bij de meest lage toerentallen als een beest sleurt. Al met al is de Speed Twin simpelweg de meest gemakkelijk, ontspannen en uitgebalanceerde retro van het stel. En nog relatief betaalbaar ook.

Testredacteur: Jaap van der Sar | Foto’s: Andrew Walkinshaw

Toni Bou behaalt zijn 27ste wereldtitel Trial!

0

Met de annulering van de zesde rondes en het winnen van alle vijf voorgaande gereden rondes, is de Catalaan Toni Bou cijfermatig al kampioen van de X-Trial 2020. Sinds 2007 domineert Bou in zowel indoor als outdoor trial.

Het coronavirus heeft ook z’n effect op de sport. Met de annulering van de Oostenrijkse ronde van het Wereldkampioenschap X-Trial 2020, gepland voor 21 maart, is Toni Bou nu al zeker van de titel. Het is zijn veertiende indoortitel en met dertien outdoortitels, verstevigt de Catalaanse coureur zijn eigen record: 27 wereldtitels!

Het Wereldkampioenschap X-Trial heeft nu vijf rondes achter de rug. Het WK eindigt op 25 april in Andorra. Ervan uitgaande dat het coronavirus dan nog niet z’n biezen heeft gepakt, zal deze ronde ok geen doorgang vinden. Toni heeft alle rondes gewonnen en leidt het voorlopige klassement met 100 punten en is onbereikbaar voor nummer twee  Adam Raga. Die heeft 75 punten.