Bekijk meer van Promotor op https://www.motor.nl
Abonneer op Promotor Magazine: https://www.motor.nl/aanmelden-promotor
Volg Promotor ook op Facebook: http://www.facebook.com/promotormotome
Volg Promotor ook op Instagram: http://www.instagram.com/promotor_inst
Promotor TV: aflevering 57 – S5/02
Honda Adventure Week 19 t/m 25 maart

Opnieuw trekt Honda aandacht met z’n Adventure modellen. Een hele week lang. Van 19 t/m 25 maart proefrijden bij de dealer. Ook op de Africa Twin Adventure Sport.
De Honda Africa Twin Adventure Sports is momenteel de adventure die de meeste aandacht trekt. Onterecht is dat niet, want het is een begerenswaardige motor. Maar je zou bijna vergeten dat Honda nog meer adventure modellen heeft. En die mogen ook shinen tijdens de Honda Adventure Week van 19 t/m 25 maart.
Da’s een week met Adventure Deals, maar ook Adventure Experience. Want iedereen die een Honda Adventure kopen, krijgt ook een gratis Honda Adventure training twv 199 euro cadeau.
Naast de Africa Twin Adventure Sports kun je ook proefrijden op onderstaande Honda adventures:
- Motortest Africa Twin Adventure Sport*
- Motortest Africa Twin
- Motortest X-ADV
- Motortest NC750 X
- Motortest CB500 X
- Motortest VFR800 X Crossrunner
- Motortest VFR1200 X Crosstourer
Alles over een proefrit, Adventure Deals en Adventure Experience vindt je hier.
*Klik op de link en lees de test!
Honda Africa Twin Adventure Sports 2018 Test

Na een dag rijden in kuddeverband op de nieuwe Adventure Sports, staan bij terugkomst bij het hotel een handjevol vertrouwde Africa Twins van modeljaar 2018 geparkeerd. En even ben ik van mijn stuk: heeft Honda hier nu ook een lading CRF250 Rally-machines neergezet?! Maar nee, het is juist de Adventure Sports die de reguliere Africa Twin tot nog compactere formaten doet krimpen. Maar maakt dat de nieuweling dan juist weer zwaarlijvig?
Joost Overzee
Dat schijn enorm kan bedriegen kennen we allemaal van de BMW GS, daar is hij weer. Ging de standaard GS als monumentaal boegbeeld door het leven, ineens verloor deze zijn heroïsche charme en ontzagwekkende charisma door de komst van de GS in Adventure-uitvoering. Maar ook de Africa Twin zoals we hem al twee jaar kennen oogt ineens door de verschijning van de Adventure Sports haast iel of – positiever en waarheidsgetrouwer uitgesproken – nog strakker afgetraind dan hij voorheen al leek.
Atletisch
De (met voornamen voluit) CRF1000L Africa Twin vormde in 2016 een verademing binnen een allroad-segment dat steeds meer te kampen leek te krijgen van obesitas. Gewichten en vooral breedteformaten gierden de pan uit met bijvoorbeeld de XT1200Z en Triumph Explorer. En hoewel de corpulentie veelal werd weggewoven onder de noemer ‘…maar als de wielen eenmaal rollen, merk je er niks meer van’, stond je toch maar mooi te emmeren om het slagschip tussen tuinhek en betonnen parasolpoot door je schuurtje in te loodsen. Niet dat de standaard Africa Twin nu zo’n vedergewicht was en is, maar zijn smalle, atletische bouw, gaven en geven hem een allure waar de handelbaarheid vanaf spat. Daarnaast zou een referendum zomaar kunnen uitwijzen dat de Africa Twin met unanieme stemmen als verreweg de mooiste allroad aller tijden wordt uitgeroepen én als grootste verleider om eens naar Senegal te grasduinen, toen Dakar daar nog de rol van rallyhoofdstad vertolkte.

Stijlvol
Ook de Africa Twin in Adventure Sports-uitvoering is onbetwist een stijlvolle machine, vooral voor degene die zich de XRV650 uit 1988 kunnen herinneren. Het kleurenschema, de belettering aan de achterste zijschilden en het zijvakje rechts (achter inbusbouten, dat wel) zijn zeer fraaie hommages aan de Africa Twin van dertig jaar geleden. De hardware van de Adventure Sports is volledig identiek aan die van de ‘gewone’ Africa Twin, de verschillen schuilen vooral in aangepaste formaten. Voor en achter staat de machine twee centimeter hoger op zijn poten, het zadel is vijf centimeter dikker, de tank meet 24,2 liter in plaats van 18,8 liter en de zit- en stuurpositie heeft wat finetuning ondergaan voor gerieflijker en gecontroleerder staan op de pedalen en een wat rechtere zithouding. De ruit heeft acht (!) centimeter meer hoogte, de voetsteunen zijn breder, de onderbouw van het blok kent riante aluminium bescherming en aan de voorkant moet valschade worden geminimaliseerd middels een robuust stalen buizenstelsel. Tot slot kent de Adventure Sports een vlakke ‘laadvloer’ van een aaneensluitend duozadel en bagagerek, heeft ‘ie handvatverwarming en een 12V-aansluiting.
Trialen
De nieuwe elementen die van de Africa Twin een Adventure Sports maken, lees je in een handomdraai, maar ze maken in werkelijkheid een wereld van verschil, gevoelsmatig vooral. Door de 92 (!) centimeter zadelhoogte krijg ik met mijn 1.76 meter aan lengte ternauwernood twee grote tenen gelijktijdig aan de grond. Het zadel kan in een handomdraai twee centimeter verlaagd worden, maar persoonlijk houd ik juist van standje ‘torenhoog’. Gelukkig is de stuuruitslag groot en de koppeling soepel zodat stapvoets balanceren en trialen redelijk makkelijk gaat, ondanks de rijklaar 243 kilo voor de manuele schakelversie. De DCT gooit daar nog tien kilo’s bovenop. Maar ‘redelijk makkelijk’ is niet helemaal makkelijk; bij de allerlaagste toerentallen op stapvoets tempo voelt de injectie iets twijfelachtig en pakt ie niet helemaal op als een volvette roomkaas.
Na een kortstondige overstap op de ‘gewone’, onderga je op de Adventure Sports des te meer een gevoel van macht en onoverwinnelijkheid door de stukken dikkere tank tussen je benen, de hoge ruit en ja, de zitplek op de tweede etage. Parkeer je het zadel op de eerste verdieping, overkomt je een wat ‘ingekapseld’, wat minder gecontroleerd gevoel over de machine en mis je de riante kniehoek van de hoge zithouding.

Scheet in bed
Bij de hoge zadelpositie voel je jezelf dus dominanter over de motor en het overige verkeer, ook al betreft het een in theorie verwaarloosbare twee centimeter verschil. Spijtig is wel dat de ruit niet verstelbaar is, zoals op bijvoorbeeld de X-ADV. Als rijder van 1.76 meter krijg je op hogere snelheid wat turbulenties te verwerken die vaak met variaties in ruit- (en zadel-) hoogte glad te strijken zijn. Ook de handkappen hebben die smalle Honda-vorm waardoor ze beduidend minder beschermen tegen winterweer dan bijvoorbeeld de bolle V-Strom-exemplaren. En nu is de Adventure Sports weliswaar standaard uitgerust met vijfvoudig verstelbare handvatverwarming, een scheet in bed geeft meer behaaglijkheid, zelfs met de handvatten in de maximale stand 5. Voor een middenbok en (het zo razend praktische) cruise control zul je een duik in het accessoirespakket moeten nemen. Aan de zonovergoten zijde van de medaille tref je zelf uitschakelende knipperlichten en noodstopverlichting. Deze laatste doet de achterste twee knipperlichten ontbranden bij een remvertraging van boven de zes meter per seconde. Tot slot valt Honda’s oog voor detail op het dashboard te prijzen door kleine modificaties door te voeren, maar de layout is warrig en de afleesbaarheid matig. Vreemd genoeg toont de cockpit veel meer helderheid als de zon er pal op gericht staat, maar onder gemiddelde omstandigheden zou het dashboard een rol kunnen krijgen in een Specsavers-reclame.
Bierkrat
Net als bij de standaard Africa Twin blijft het verbluffend hoe neutraliteit en vederlichtheid in manoeuvreren in volmaakte harmonie samengaan. Ook op hoge snelheden wordt het vertrouwen nooit aangetast dat de voorzijde slechts op een 90/90-buitenband (en binnenband) als een dolle staat te rollen. Ook al is de Showa-vering opgeschroeft en qua demping beter op het onverharde aangepast, de voorzijde blijft strak in het gareel. Om het plastisch te illustreren verwijs ik naar het alarmerende stuurgevoel van een damesfiets met een volle krat bier achterop onder de snelbinders. Iedere vent of dame kent dat. Geen spoor daarvan op de Adventure Sports.
Ondanks de riante voorveerweg van 252 millimeter mis ik hoogstpersoonlijk bij remmen niet een verkapte vorm van BMW’s Telelever. Natuurlijk duikt de handel fors in bij gebruik van de streeploos opererende remmen, maar het veroorzaakt geenszins een ‘bevroren’ gevoel bij insturen. De wijze waarop de Adventure Sports zich diep, dieper, diepst laat insturen – zonder zich op te willen richten – voelt juist charmant, al zullen sommige BMW-rijders me tegenspreken.

DCT
Behalve de toepassing van Throttle by Wire met aanhangende rijmodi, is de 998 cc staande twin onaangeroerd gebleven. Qua hardware is daar allesbehalve reden toe. Het blijft een ingenieus gebouwde krachtbron met de nadruk op compactheid; de cilinderkop kent daarom slechts een enkele nokkenas, de balansas drijft ook de olie- en waterpomp aan, de olietank zit diep geïntegreerd in het carter en de waterpomp schuilt in het koppelingshuis. Naast betrouwbaarheid en wereldwijd 51.000 verkochte exemplaren, bewijst het blok dat 95 pk als genoeg wordt bevonden door hele volksstammen. Zolang je geen professionele woestijnracer bent, heeft iedereen aan dit vermogen ruimschoots voldoende op het onverharde. Want koppel is nu eenmaal koning. Honda’s goed gevulde onderbuik eet uiterst gecontroleerd en begerig uit de hand waardoor de ‘dagelijkse’ rijdbaarheid onder alle omstandigheden optimaal is. Nooit heb je een tekort aan trekkracht dat zich vanaf de laagste toerentallen uitrolt over het toerenbereik dat al het rood in duikt bij 7.800 toeren. De zesbak van de voetversie schakelt licht, direct, kort, dus uit de kunst, de DCT biedt in de Drive en drievoudige Sportmodi voor iedere voorkeur wat wils. Prettig is te merken dat ieder jaar de Dual Clutch Transmission verfijnder wordt; hij schakelt sneller en stiller dan ooit, zonder noemenswaardige drempels bij overschakelen. Word je in bochten niettemin verrast door een overschakeling, dan gebeurt dit dermate vloeiend dat het geen invloed heeft op achterbandgrip of stabiliteit. Persoonlijk hanteer ik op m’n X-ADV de methode van de sportiefste Sportstand (S3) die ik met de schakelflippers links overrule als de machine me te hoogtoerig wordt bij rustig (stads)gebruik.
Het klinkt!
Zo zoetgevooisd als de koppelrijke krachtbron opereert (hoewel KTM 1290-en Multistrada-rijders met 160 pk aan boord zich al snel stierlijk zullen vervelen op een Africa Twin), zo totaal onverwacht karaktervol is het geluid van de staande twin. Man, wat een audio produceert modeljaar 2018 van de Africa Twin! Het is deze hamerende, puntige, diepe artilleriebeschieting die het – bij sportief gebruik – wel erg gelijkmatige karakter van deze twin royaal compenseert. Karakter zit niet alleen tussen de oren, maar ook op de goddelijk geteisterde trommelvliezen. Bovendien gaan terugschakelmanoeuvres op de DCT-versie nu gepaard met een forse, hartveroverende knal, met dank aan de Throttle by Wire.
Eenmaal terug bij het hotel na een dag sturen, dollen en modderen wordt een geheel andere delegatie ‘Throttles by Wire’ in stelling gebracht voor urenlang effectief plezier: van het merk Kärcher…Zo hoort de after-ride van de Adventure Sports te zijn: geen insecten weg peuteren, maar modder wegblazen!

Dit vindt Joost
Met een verkoopprijs van bijna twintig mille kost de DCT-versie hetzelfde als die ene Oostenrijker met (op papier) 40 Newton meter, 65 (!) paardenkrachten en een veel uitgebreider elektronicapakket EXTRA aan boord. Maar die meerwaarde aan prestaties kan velen gestolen worden, getuige 51.000 kopers wereldwijd van de Africa Twin ‘nieuwe generatie’ sinds 2016.
Ook de Honda Africa Twin Adventure Sports zal beslist als warme broodjes over de toonbank gaan, in of out of Africa. Het handjevol smetjes zal door (potentiële) kopers moeiteloos weggewoven worden. De bijzonder fijne rijeigenschappen, kwaliteitsopbouw en het onverwoestbare Africa Twin-imago maken de AS een uiterst begerenswaardige machine. En je hebt iets prachtigs in je garage staan, wat voor een allroad bepaald geen vanzelfsprekendheid is. Dakar ligt dichterbij dan ooit. Dus als dat chagrijn thuis voor de tv nog eenmaal haar grote waffel opentrekt…
Rijmodi Africa Twin 2018
Ook de standaard Africa Twin heeft geen gaskabels meer en profiteert van hetzelfde elektronicapakket als de Adventure Sports. Gehandhaafd is het systeem waarbij de ECU het DCT-schakelgedrag bepaalt naar gelang je bergop of -af rijdt.
Op de modellen van 2018 zijn 3 modi aan boord met voorgeprogrammeerde settings qua maximaal vermogen, de mate van Torque Control (zeg maar tractiecontrole) en van Engine Braking, dus de mate van remmende werking. ‘Tour’ heeft maximale vermogensafgifte, gevolgd door ‘Urban’ en ‘Gravel’. Deze laatste offroad-modus heeft maximale motorrem en de meeste tractie-interventie. De tractiecontrole kun je tijdens het rijden (wel even de koppeling intrekken voor een stationair toerental) met de wijsvinger aanpassen. Handig. Zo kun je, rijdend in de afgeknepen ‘Gravel’-stand, toch met slippend achterwiel bochten uitkomen. Erin sturen ook, want ABS is uitschakelbaar. Tot slot is er de ‘User’-modus, die je vrijelijk naar eigen voorkeur kunt aanpassen. De ‘Gravel’-knop rechts in het dashboard, de ‘G-knop’ (niet te verwarren de gelijknamige ‘spot’…) reduceert koppelingslip bij overschakelen ten behoeve van dat extra beetje grip. Het moet gezegd: rijdend in de maximaal interveniërende ‘Gravel’-stand, kun je de modderigste, gladste omstandigheden te lijf. Ongelooflijk hoe goed de achterband blijft rollen en grip blijft houden. Maar ja, een beetje kind wil toch liever slippen… De ‘gewone’ 2018-Africa Twin kost € 16.158,-, met DCT € 17.458,-
Honda NC750X 2014 Test

Een allround motor voor een scherpe prijs, bestemd voor een breed publiek en standaard al zo compleet dat je voor extra’s niet veel meer hoeft uit te geven. Die troeven speelde Honda in 2012 uit met de NC700X. En met succes: er gingen er 40.000 ‘over de toonbank’ in Europa. Zijn opvolger krijgt er 50 cc bij en is bedoeld om dat succes te evenaren.
De NC700X was Honda’s antwoord op de crisis: een aantrekkelijk geprijsde, compleet uitgeruste gebruiksmotor. De nieuwe NC750X is wat meer allround geworden. Honda heeft er extra koppel ( van 62 naar 68 Nm) en vermogen (van 35 naar 40.4kW) in gestopt. Weliswaar hebben de Japanners de teugels iets laten vieren, zuinigheid en een scherpe nieuwprijs zijn ook van deze 750 sterke troeven. Het brandstofverbruik is dankzij 6% langere versnellingen nog een fractie lager geworden. Tijdens onze kennismaking met de nieuwkomer Griekenland verbruikten wij op 120 vlot gereden kilometers 4,9 liter benzine. Een met een nieuwprijs van nog net geen achtduizend euro, krijg je heel veel motor voor je geld. Honda heeft de kosten laag kunnen houden doordat het rijwielgedeelte en het motorblok gelijk zijn aan die van de motorscooter Integra en de naked 750S.
Er is een en ander versleuteld aan de 750-versie. Afgezien van de grotere cilinderinhoud en de langere versnellingen, heeft het motorblok een tweede balansas gekregen.
Allemansvriend
Op onze testrit over bochtige kustwegen ten zuiden van Athene leren we de 750 kennen als een allemansvriend. Makkelijk te hanteren met zijn lage zwaartepunt, comfortabel, praktisch dankzij de enorme bergruimte op de plek van de tank ̶ je helm past in het opbergvak ̶ en bovenal: gemakkelijk in de bediening. Dat laatste dankt de machine aan vooral Honda’s DCT: Dual Clutch Transmission, oftewel aandrijving via een dubbele koppeling. De ene koppelt de even, de andere de oneven versnellingen. Daardoor verloop de overgang naar en volgende versnelling heel snel en schokvrij. Je hoort een alleen droge klik en een verandering van toerental. In combinatie met de schakelautomaat – die debuteerde op de VFR 1200 – een uitermate gebruiksvriendelijke manier van schakelen. Gas geven en remmen, dat is alles. Op- en terugschakelen kún je handmatig doen met ‘flipperschakelaars’ op het stuur. Maar in de praktijk zul je het meestal overlaten aan de automaat. Met terugschakelen vonden we de automaat in specifieke situaties wat aan de luie kant. In bochten wil je stevige tractie en zagen we ons soms genoodzaakt handmatig een tandje terug te schakelen. Ook in druk verkeer en bij een inhaalmanoeuvre voelt soms fijner het schakelen in eigen hand te nemen.
Verstand versus emotie
De ABS-geregelde remmen doen hun werk uitstekend. Weer zo’n punt waarop de 750 uitblinkt in gebruiksgemak: fijn doseerbaar, doordat de remdruk gelijkmatig en voorspelbaar opbouwt. De vering: ook al zoals een allemansvriend betaamt. Afgesteld op allround gebruik en niks op aan te merken. Tenzij de je sportieve prestaties verlangt. Dan zou het aan de voorkant wat strakker mogen. Dikkere olie in de vorkpoten is waarschijnlijk afdoende.
Het lage ruitje doet zijn werk redelijk, al zal het op lange ritten voor rijders van bovengemiddelde lengte waarschijnlijk tekortschieten. De zit is comfortabel en geschikt voor vele uren aangenaam toeren. Als klein punt van kritiek merken we het ontbreken op van een middenbok. En als motor die dingt naar de grootste gemene deler, zou je deze Honda kunnen betichten van een zekere karakterzwakheid. Maar dan verdringt de emotie het gezonde verstand. Want er staat heel veel tegenover. Want waar vind je nog een motor met standaard met ABS, het meest geavanceerde schakelsysteem, een prima rijkarakteristiek voor net geen €8.000?
Honda VFR800 X Crossrunner 2014 Test

Je gelooft het of niet, maar bij de ontwikkeling van Honda’s laatste nieuwe van dit jaar, de Crossrunner, heeft onder andere Road Runner model gestaan. Wij wilden het ook niet geloven en gingen als Wile Coyote achter die snelle koekoek aan.
De Crossrunner is anders. Dat zie je zo. Moeilijk in een hokje te douwen. En dat maakt het lastig onze grootste behoefte te bevredigen: het vergelijken met…
Maar ondanks dat hij overduidelijk op de VFR 800 V-tec gebaseerd is, lijkt de Crossrunner op niets en niemand.
Hij heeft een uniek en eigenzinnig design. Het is geen all-road, geen sporttoer, al helemaal geen supersport, maar ook geen grand tour. We zwijgen over choppers, customs, cruisers en off-roads. Wat is het dan wel? Daar zit een hele filosofie achter. Het is een motor die naar eigen zeggen als uitgangspunt een ‘non agressieve fun’ motor heeft, ´waarbij het creëren van een positief imago van de motorfiets(rijder) een belangrijke factor was.’ En laat die verrekte Roadrunner met zijn immer door- en doldraaiende poten nou altijd pret en lol hebben.
Variabele klepinzet
Maar daarvoor zijn we niet naar Mallorca afgereisd, hoewel het wel een prettige bijkomstigheid is. Rijden willen we! En benieuwd zíjn we. Want de Crossrunner heeft het bepaald niet onbesproken blok van de VFR 800 VTEC, die eind 2001 gepresenteerd werd en waar door de jaren heen nogal wat kritiek op kwam.

Voor de duidelijkheid en om misverstanden van het pad te vegen: bij het VTEC systeem van Honda worden in het geval van de Crossrunner rond de 7.000 tpm twee kleppen door de nokkenassen bediend en daarboven vier. In de volksmond wordt het variabele kleptiming genoemd. Het volk zou het zwijgen opgelegd moeten worden. Want bij het motorfiets VTEC is er geen sprake van verschillende momenten van bediening en lifthoogte. Daarover praat je wél als het over Honda auto’s hebt. En ook bij de Kawasaki GTR.
Het motorfiets systeem zou je beter variabele klepinzet kunnen noemen. De motivatie van het motor VTEC is dat een tweeklepper onderin meer koppel levert en een vierklepper bovenin meer vermogen. De theorie klopt, de VTEC praktijk niet. Enerzijds is niet alleen het aantal kleppen verantwoordelijk voor ‘koppel onderin’, maar moeten vorm van de venturi (zeg maar aanzuigkelk) en de lengte van het inlaattraject zorgvuldig uitgezocht worden. Bij een vierklepper is die anders dan bij een tweeklepper, bij VTEC immer hetzelfde. Ook de diameter van de inlaatklep/inlaattraject is belangrijk voor de hoogte van het koppel. Waar Honda ogenschijnlijk aan voorbij gegaan is, is dat wanneer je twee inlaatkleppen hebt en daarvan één dicht laat, je de actuele diameter halveert. Dat kost je vermogen. Kan niet anders. Dat vermogensverlies wordt enigszins gecompenseerd door een veel hogere luchtsnelheid van de ‘ingeademde’ lucht die door één inlaatpoort aangezogen moet worden. Maar als je één neusgat dicht knijpt kun je niet even veel adem halen dan met beide neusgaten vol open, maakt niet uit of je een scheve neus, wipneus, haakneus of wijsneus neemt…
Het enige voordeel – als je dat als voordeel zag – van het VTEC bij de VRF 800 was een vermogensboost, een plotseling inkomen van power, wanneer de motor overschakelde naar vier kleppen. Een effect dat je bij de vroegere tweetakten altijd zo bekritiseerde…
Waar het hele verhaal om draait: de negatieve eigenschapen overtroffen de positieve ‘met verve’: de VFR liep zéker in het begin van zijn bestaan ronduit slecht op deellast rond het toerental van overgang naar vier kleppen. Of weer terug naar twee kleppen.

En hoewel Honda het systeem door de jaren heen verbeterde: zelfs het vermeende positieve effect op een gunstiger brandstofverbruik bleef uit en er waren maar weinig mensen die blij waren met VTEC.
Kop eraf
En dan nu snel naar de Crossrunner, want waarom dan nog steeds VTEC? Die vraag is niet gesteld, omdat een eerlijk antwoord niet verwacht mag worden. Stel de vraag anders: waarom het VFR 800-blok? Het antwoord zal zijn: om af te wijken van de gebruikelijke vier-in-lijn en de V-twin. En daar is geen speld tussen te krijgen.
De 800 is aangepast voor de Crossrunner. Het blok is teruggetuned voor meer kracht onderin ten koste van energie bovenin. Honda trakteerde de bijeengevlogen perscoyoten op een grafiek die de verschillende vermogens- en koppelkrommes laat zien, jullie delen in deze traktatie:
Kromme
Het is goed te zien dat het VFR dal met het afgraven van de berg gevuld is. Maar ook dat de slinger vlak voor de bijna loodrechte stijging van de VFR verdwenen is en de stijging bij de Crossrunner veel minder extreem verloopt. In de praktijk is dat goed voelbaar. Beter gezegd: is het níet voelbaar. Het beroerde – iets milder -rommelige lopen rond de 6.600 tpm is geheel verdwenen, de vermogensexplosie naar vier kleppen is verworden tot een voorzichtig oppoken. Je merkt niets meer van een verward VFR 800 blok dat niet weet of hij nu op twee of vier kleppen moet lopen, niet weet hoeveel brandstof hij in moet spuiten en ook niet meer weet wanneer. De Crossrunner loopt zelfverzekerd en voortvarend door het gewraakte terrein, zonder hapering, zonder twijfel en zonder terughoudendheid. De overgang naar vier kleppen is niet meer imponerend. Zeg maar gerust: aangenamer, tenzij je toevallig een thrillseeker bent of stoer moet zijn. Hoe meer ‘op het gas’ hoe beter je de overgang verneemt, maar in de dagelijkse praktijk (alsof je daar van kunt spreken als je een beetje op Mallorca rond tuft…) is het akoestisch beter waarneembaar dan gevoelsmatig.
Je kunt dit zowel als een enorme verbetering zien als een zinloos voortbestaan van het VTEC. Blijft dat wanneer ze dit tien jaar eerder hadden gedaan, veel mensen veel minder kopzorgen hadden gehad. Sterker: dan waren er gegarandeerd minder koppen gerold…

Niet te laag
Eindelijk is het een blok dat zonder noemenswaardige uitzondering een fijn aggregaat is. En zo anders als andere krachtbronnen. Twee cilinderblokken onder 90 graden zorgen voor onregelmatige ontstekingsintervallen en onregelmatigheden zijn nooit saai. Als je dat maar weet. Beetje jammer dat het zo specifieke geluid grotendeels wordt verstomd door de (erg grote) enkele uitlaatdemper die nu eenmaal niet meer dan 82 dB uit mag braken, eh fluisteren.
Maar een verbasterd gezegde vertelt: ‘een goed luisteraar kan ook met dB killer horen’, dus blijft er voor hem genoeg geluid over om te genieten van de onregelmatige verbrandingsslagen van de Crossrunner. Mooie, zware brom bij lage toeren, bijna snerpend als hij opgejaagd wordt. En het mooie is dat de V4 veruit de meeste toerentallen goed verdagen kan, hoewel bij normaal gebruik het maar zelden voor zal komen dat de V4 al zijn kleppen inzet. Dat hij niet zo soepel is als een viercilinder in lijn mag je hem niet kwalijk nemen, dat is de consequentie van deze blokopbouw. Als het enigszins lukt (omdat de Crossrunner dezelfde abnormaal slecht afleesbare toerenteller heeft als de Hornet en CBR 600F) is het beter om niet onder de 2.500 tpm te komen.
Zeker als je in de vijfde of zesde gang zit in de redelijk goed schakelende versnellingsbak, want anders wil hij wat gaan bokken. Kleinigheidje.
Pimpen
Goed en karaktervol blok waar dus weinig mis mee is. Hoe zit het met het rijwielgedeelte? De zit is goed. Het zadel is groot, breed en vlak en biedt veel ruimte. Ook de plek voor de duo ziet er goed uit en is maar fractioneel hoger dan het bestuurdersdeel.
Dat wordt lekker intiem met je vriendin. Veilig ook. En langdurig bovendien. De rijpraktijk wijst uit dat een hele dag in het zadel nauwelijks vermoeiend is en dat het achterwerk verschoond blijft van pijnprikkels, pijnscheuten, pijnpitten of ander ongemak. De stand van het stuur (hoewel misschien íets te ver naar binnen gekromd), de plaats van de voetsteunen, maar bovenal de grote kniehoek voorkomt snel optredende vermoeidheidsverschijnselen.
Beide stuurhendels zijn instelbaar, de bovenbenen leunen mooi tegen de tank. Het enige kritiekpunt is de hoge plaatsing van rem- en schakelpedaal die niet (rem) of nauwelijks (bak) te bedienen zijn zonder je voeten van de rusten te nemen. De ruit zorgt niet voor turbulenties, maar geeft ook niet heel veel bescherming.

Het lijkt wel of die twee samen gaan. Of veel bescherming en oorverdovende turbulenties, of weinig protectie met de kans op heftige luchtwervelingen. Deze ruit lijkt voldoende voor Nederlandse omstandigheden. Voor wie het aandurft: er is een hoger ruitje beschikbaar (€179,50) en ook ‘windafwijzers´ voor op de kuip (€87,50) voor meer weer- en windbescherming. En nu we toch in de accessoirelijst kijken: er is een 29 liter kofferset leverbaar waar links bijna elke helm in kan, de rechter een uitsparing voor de uitlaat heeft en die inclusief rek op een niet misselijke €1.305,- uitkomt. Voeg daar nog een 31 liter topkoffer aan toe voor €425,-, een ruggesteun voor je lief (€36,50) en een middenbok voor jezelf (€345,-!) en je bent alles bij elkaar bijna € 16.000,- kwijt. Heb je het geheel wel in dezelfde kleur, kun je alles met de contactsleutel op slot doen en beschik je over een optisch redelijk homogeen geheel wat je met een Non-Fango of Givi setje zoals Suzuki en Kawasaki het doen, niet lukt. Maar toch…
Toch zouden we die volledig aangeklede Crossrunner later dit jaar graag eens even aan een diepgaand motorologisch onderzoek willen onderwerpen…
De duivel
Kunnen we dan ook uitzoeken wat het echte benzineverbruik is. Honda geeft keurig een verbruik op van 1:16,3 volgens de WMTC methode. In die mode staat heel precies aangegeven hoe, wat, waar en wanneer er gereden moet worden. Hoe dat exacte model is, is ons niet bekend. Wel dat die heel anders is dan ‘gebruik op de secundaire weg’ bij onze oosterburen, waar ongeloofwaardig zuinige cijfers vandaan komen. Waarden die je naar verwachting alleen kunt halen na het verorberen van een buisje Valdispert, gevolgd door een doosje Valeriaan of een bosje Sint Janskruid. Zelfs na een relatief rustig dagje ´at the office´, waarbij de helft van het aantal kleppen veruit het grootste deel van de dag hun klep hielden, registreerde de boordcomputer een gemiddeld verbruik van 1:14,5. En een te pessimistische benzinecalculator moet nog uitgevonden worden.
Nog steeds niks verklapt over het rijwielgedeelte. Het lijkt wel of Honda door de duivel op de hielen gezeten wordt. Bij de introductie van de Hornet en CBR 600F eerder dit jaar kwam het regenwater met bakken uit de lucht. Op Mallorca was het kurkdroog, maar waren de wegen spekglad. Tijdens de kennismakingsrit die uit zijn krommingen barste van de bochten, gleed de Crossrunner net zo vaak als in de rest van je leven. Echte hellingshoeken waren nauwelijks te maken en pogingen daartoe leidden te vaak tot het tegenovergestelde van het Zwitserleven Gevoel, leidde zeg maar het Libieseven Gevoel of Ivorischlevens Gevoel. Helaas konden de speciaal door Pirelli ontwikkelde Sorpion Trails met dual compound dit asfalt ook niet de baas.
Vering
Scherp sturen was er dus niet bij, bochten doorklieven op hoge snelheid ook niet. Was ook niet nodig: ruim daarvoor liet de Crossrunner al zien daar zelf ook geen zin in te hebben. De vering is de vermoedelijke veroorzaker, omdat de VFR 800 met nagenoeg hetzelfde rijwielgedeelte (andere voorvork en achterveer), stilstaand al strakker stuurt. Die enkele bocht die we met goed fatsoen konden pikken en waar de voetsteunen bijna het asfalt raakten, gaven al aan dat de Crossrunner bij een kleine oneffenheid (on)aardig beweeglijk wordt. Het opschroeven van de veervoorspanning is lastig door het dichtbouwen van het stuur met plastieken omhulsels. Achter hetzelfde verhaal, omdat de stelkrans aan de bovenkant geplaatst is en je er met de C-sleutel nauwelijks bij kunt. Deze intensieve klus bleef dus achterwege. Het dichtschroeven van de uitgaande demping achter bracht wel verbetering in de zin van meer rust in het rijwielgedeelte, maar het zal nooit tot maximale tevredenheid leiden bij een zwaardere belading dan een rijder van 80 kilo. Nee, gewoon rustig rijden, het liefst op zeer bochtige weggetjes bij niet al te hoge snelheden; dat is des Crossrunners. De handelbaarheid, de balans, het instuurgemak, het vlugge wenden het trouw volgen van de ingezette lijn en het korte keren zijn de positieve eigenschappen.

Voeg daaraan toe een slechts licht oprichtmoment bij het remmen in de bocht en er staat je niets in de weg om een lekker over een oer-Hollands dijkje te toeren.
Hokken
Het is inderdaad erg lastig de Crossrunner in een hokje te plaatsen. Sportief is hij niet, daar is de vering te zacht voor. Een allroad is het ook niet, daar zijn de veerwegen te kort voor. Bovendien zijn de wielen van gegoten aluminium, meten ze 17 inch en zijn de banden pure asfaltrubbers.
Een toermotor dan? Hmm, daarvoor levert hij (zeker in de standaard uitvoering) te weinig windbescherming en is de maximale belading van 188 kilo ook niet overdadig. En met driedelige kofferset blijft daar dan nog minder van over. Weet jij wat? We maken het ons gemakkelijk en besluiten gewoon dat hokken uit de tijd is en trouwen in. Vertrouwen we er gewoon op dat het wel goed komt met al die mensen die de Crossrunner kopen zonder precies te weten waarvoor ze hem gaan gebruiken. Misschien gewoon om een lekker stukje motor te rijden?
Honda CB500X 2013 Test

Je zult maar gezegend zijn met een A2 rijbewijs. Ehm. Wat zegt’ie nou? Natuurlijk. Een volwaardig motorpapiertje is altijd beter. Maar met zo’n A2-beperking kun je zeker lol maken, getuige bijvoorbeeld de 500-jes van Honda. De CBR500R en de CB500F hebben we enige tijd geleden al gereden; nu is de CB500X aan de beurt. Eens kijken of die kleine allroad net zo overtuigt als zijn meer straatgerichte broertjes.
Honda is er in ieder geval duidelijk over: van de CB(R)500 familie verwachten ze er van de X de meeste af te zetten. Op technisch vlak verschilt de X nauwelijks van de CB500F en CBR500, maar om zijn toerkarakter te onderstrepen werd de wielbasis wat langer en de naloop wat groter, de veerweg uiteraard langer en het stuur breder. Ook de zitpositie is anders, meer rechtop en ontspannen. Kort door de bocht, er staat een echte, volwassen motor, met een uitstraling die niet meteen ‘beginner’ of ‘heropstapper’ ademt, maar die eruitziet alsof hij, met een paar koffers erop, klaar is voor het langere toerwerk. Stoere looks dus. Daarbij verklaart Honda dat de X ook niet vies is van een bospad hier en daar. En dat voor een prijs van nog geen € 6.799,-.
Goed, op pad dus. De 471 cc metende staande twin is geen verrassing meer, die kennen we al als een zeer fijne, soepele machine met een lineaire vermogensafgifte. De route die is uitgezet, in het prachtige achterland van Barcelona, bestaat uit een aaneenschakeling van bochten en een stukje snelweg. De hemel is blauw, de heuvels wachten, tijd om te gaan. Zoals al een beetje verwacht draait de kleine twin er lustig op los. Probleemloos tot 9.500 toeren, maar rustig tokkelen op 2500 is ook prima te doen. Hij maakt geen slag verkeerd, alleen als je onder de 2.000 toeren duikt wordt het tijd om een tandje terug te schakelen.
Lekker zuinig
Deze 500X bewijst maar weer eens dat je geen 100 pk nodig hebt om lekker te kunnen sturen. Natuurlijk, katapulteren uit een bocht is er niet bij. Maar straffeloos volgas geven uit iedere bocht, zeker wetend dat je dat altijd kunt maken, werkt goed voor de ontspanning. Mocht je wat meer spanning zoeken: wring het blokje eens lekker uit, en de glimlach verdwijnt niet meer van je gezicht. Wat een lol! Combineer dit met een gemiddeld verbruik van 1 op 25, je hoeft dus niet vang te zijn dat stevig rijden leidt tot stevig drinken.
Ook op het gebied van de vering geen verrassingen. Voor normaal gebruik voldoet dit prima, pas als je echt gaat jagen merk je dat de boel bij slecht asfalt een beetje stuiterig wordt. Vergeleken met de naked- en sport broertjes beschik je bij de X over 25 millimeter meer veerweg op de voorvork, een hogere bodemspeling en een ruitje voor wat extra windbescherming. Vooral op de snelweg is dat kleine ruitje voldoende om de grootste druk op de borst weg te nemen, waardoor je het net wat langer uithoudt. Ook de remmen, twee enkele schijven voor en achter, voldoen, maar je kunt merken dat de X wat minder bijterig is dat de andere 500’s. Zal te maken hebben met de langere, soepele veerweg van de voorvork. Wat overigens wel in het voordeel spreekt is dat ook deze Honda weer standaard is uitgerust met ABS. En dat voor die prijs.
Jaap over de Honda CB500X
Beginner, heropstapper én doorgewinterde motorrijder. Wat je ook bent, je hoeft je met de CB500X nooit tekort gedaan te voelen. In tegendeel, de X is een verrassend goede allrounder die garant staat voor vele, goedkope kilometers en voldoende ‘volwassen’ motorpret. De ultieme woon-werk fiets dus, en gooi gewoon een tas achterop voor een lange motorvakantie. En dat voor een meeneemprijs van nog geen zeven mille.
Honda VFR1200 X Crosstourer 2012 Test
De Honda Crosstourer is de derde Crossover binnen de Honda familie en heeft dezelfde uiterlijke trekjes als de NC 700X en de VFR 800X Crossrunner. Kenmerkend is vooral het ‘allroad’ snaveltje. Honda zegt veel tijd besteed te hebben om de dikke 1200 klein te laten lijken en dat lijkt gelukt. Stijltechnisch is hij best opvallend en herkenbaar, maar toch zijn er weinig bijzondere kenmerken en details te vinden. Wel opvallend is de wat plomp uitgevallen enkelzijdig cardan aan de linker kant.
Verder valt op dat de Crosstourer een 19 inch voorwiel heeft en dat de wielen draadgespaakt zijn. Dat flirt met niet geplaveide wegen. Wij scharen hem dan ook onder de Allroads, hoewel Honda het een Adventure Sports Tourer noemt. De veerwegen zijn lang, de zithoogte staat op 850 mm, het vrij kleine ruitje kan gereedschappelijk versteld worden. Het zadel ziet er comfortabel, edoch niet al te breed uit en is licht getrapt.
Standaard heeft de Honda CBS/ABS (niet uitschakelbaar) en TCS (wel uitschakelbaar, maar geen keuzestanden). Ook zijn er geen (overigens weinig zinvolle) powermodekeuzes. Het zadel is niet in hoogte verstelbaar en de voetsteunen ook niet, maar dat hebben anno 2012 vreemd genoeg alleen een paar Superbikes. Gelukkig staan de bedieningsknoppen op de juiste pek en evenzo gelukkig zijn beide hendels wel naar believen en gerieven te positioneren.

Een bagagedrager is standaard, handkappen zijn dat ook, een 12 V plug ontbreekt (accessoire). De voorvork staat op zijn kop (nog een paar jaar dan zijn conventionele voorvorken USPD´s…), de remklauwen ‘diagonaal’, de knipperlichten hebben led lampjes.
Het dashboard is natuurlijk multifunctioneel (nog een paar jaar dan noemen we dat informatiecentrales) met de volgende info: digitale snelheidsmeter, kilometerteller, twee tripmeters, benzinevoorraad, buiten- en koelwatertemperatuur, actueel en gemiddeld verbruik, restkilometers op reserve, versnellingsbakindicator, tijd en in geval DCT uitvoering ingeschakelde S(port) of D(rive) stand. En last and bovenal least een nauwelijks afleesbare led toerentellerbalk. Zeker als de zon schijnt een zinloos en onbruikbaar ding. In Spanje dus minder bruikbaar dan in Nederland…
Nog vergeten: de lichtsterkte van de display is regelbaar en daar heb je in Spanje weer meer aan dan in…
Gebruikte materialen en afwerking staan op GHP, het Gebruikelijke Honda Peil. Dat wil zeggen dat er niet beknibbeld is op kleinigheden om de goedkoopste te zijn; maar ook niet gebruik is gemaakt van excessieve materialen om te voorkomen de duurste te zijn. Rommelig zijn de draden en slangetjesbrij bij het achterwiel, verder is er veel achter plastic verstopt. Mooi is dat de ophangpunten voor de optionele koffers in het design van de duohandgrepen/bagagedrager verwerkt zijn. Zo wordt het uiterlijk niet verstoort als je de koffers thuis laat.
Ergonomie
De Crosstourer heeft een (o verbazing) op comfort afgestemde ergonomie. De driehoek stuur-zadel-voetsteunen is voor het comfort welhaast ideaal. De kniehoek is groot, op het zadel kun je niet alleen theoretisch verschuiven, maar ook in de praktijk. Een zeldzaamheid, want bijna altijd schuif je toch weer naar het voorste puntje toe. Over dat punt gesproken: daar is het zadel redelijk smal, wat weer makkelijk is om met de voeten op de grond te kunnen komen. Wel moet gezegd dat wanneer je helemaal ´achteraan´ zit de afstand naar het stuur wel erg groot is. Je zit dus prima op de Honda, daar hadden we kort over kunnen zijn.
De ergonomie voor de passagier lijkt op het oog ook goed voor elkaar. Voor wie behoefte heeft: zonder het risico te lopen onterfd te worden kun je schoonmoeders achterop vragen. Je raakt waarschijnlijk alleen je vriendin kwijt omdat ´moeders´ voortaan degene is die altijd achterop wil… Overigens hebben we nog vriendinlief, noch haar moeder erbij gehad…

Motorblok
De Crossrunner is de eerste en waarschijnlijk ook laatste Allroad met en V4 krachtbron. Het is waarschijnlijk ook de enige krachtbron met een enkele bovenliggende nokkenas waarvan de inlaatnok via een stoterbus de inlaatklep opent en de uitlaatnok via een roltuimelaar de uitlaatklep. Door de blokhoek te beperken tot 76° is de VFR 1200 ter hoogte van de kleppendeksels 20 mm korter dan de VFR 800. Om trillingen tegen te gaan zijn dan weer de kruktappen op 28° verzet. Om diezelfde reden en om het blok ´tussen de benen´ smal te houden staan de drijfstangen van de achterste cilinders naast elkaar, die van de voorste links en rechts daarvan. (foto: krukas.jpg).
Daarnaast werd het VFR 1200F blok uiteraard aangepast voor de VFR 1200X, om meer trekkracht vanaf stationairloop ´plus 100´ tot een kleine 6.000 tpm te creëren. Dat zoiets ten koste gaat van het vermogen boven de 6.000 zal de Crosstourist worst zijn. De gebruikte maatregelen: tammere nokkenassen met minder klepoverlap, 40 mm langere en 4 mm kleinere inlaatkelken, 10 tot 28 mm kleinere uitlaatdiameter. Daarop is evenzo natuurlijk de injectie en ontsteking aangepast.
In de praktijk vertaalt dit blok zich in een bijna sublieme krachtbron. Power in overvloed, inderdaad trillingsvrij en over het algemeen mooi op het gas reagerend (maar soms ook de weg wat kwijt en tamelijk heftig). En ´het is een viercilinder en daarbij lukt het tegenwoordig altijd` mooi lopen op deellast. Dus geen gejojo en gejengel als je dun op het gas rijdt. Het blok loopt stil en (kunst)zijde zacht. Daardoor mist hij wel de beleving die de VFR 750/800 wél had. Dat zou wel eens een teleurstelling kunnen zijn voor mensen die daarvan overstappen. Puur objectief kun je wat het blok aangaat hooguit wat kritiek hebben op de transmissiespeling die in de lagere versnellingen duidelijk voelbaar is. Zie voor meer details de webtest van de VFR 1200F DCT later in het jaar 2012. Er is vermogen beschikbaar vanaf 2.000 tpm, ook in zijn zesde versnelling, en eigenlijk altijd meer dan voldoende. Hij trekt als een beer en de sterk bekritiseerde dip bij de VFR 1200F eerste editie is de Crosstourer volledig vreemd.

Transmissie
De schakelversie is dus het model waar het grootste aantal kilometers mee afgelegd is. Daarover valt echter zowel in theorie als praktijk weinig bijzonders over te vermelden. De koppeling laat zich onopvallend bedienen, hetzelfde geldt voor de versnellingsbak. Het hendel is instelbaar, het pedaal staat op de juiste hoogte, de schakelweg is die weg die bewandeld hoort te worden. In de eerste drie versnellingen is het schakelen nog wel enigszins voel- en hoorbaar, daarboven stil en soepel. De versnellingsbakverhoudingen zijn op zich goed gekozen en dat geldt ook voor de eindoverbrenging, hoewel de zesde versnelling ten gunste van het benzineverbruik (boordcomputer: 1: 14,9) misschien wat langer had mogen zijn.
Het DTC schakelen is een verhaal apart en in twee hoofdstukken samen te vatten, waarvan één hoofdstuk weer in twee paragrafen. Korte hoofdstukken omdat er maar kort mee gereden is en onwennigheid een objectief, onderbouwd en definitief oordeel in de weg staat.
Technisch gezien koppelt en schakelt het DCS in ieder geval beter dan de beste schakelaar van vleesch en bloed van de hele wereld. Nauwelijks merkbaar, nauwelijks voelbaar, wordt er van versnelling gewisseld waarbij in beide hoofdstukken altijd automatische ontkoppeld en gekoppeld wordt. De momenten waaróp heb je in het eerste hoofdstuk met zijn twee paragrafen uit handen gegeven aan de boordcomputer. Paragraaf één is de economische zuinige D(rive) stand en paragraaf twee een wat levendiger S(port) stand. In het tweede hoofdstuk mag je zelf uitmaken wanneer je schakelt met wijsvinger omhoog en duim naar beneden.
Technisch dus bijna allemaal volmaakt, maar menselijk gezien geef je een stuk (ouderwetse?) beleving uit handen. Voor de één makkelijk en comfortabel, de ander wellicht een gruwel: een beetje met het gas spelen, tussengas geven, koppeling zo laten slippen als jij wit: met het DCT is dat er niet meer bij. Over het precieze functioneren en de gevoelens die daarbij op de langere termijn bij horen, komen we later dit jaar bij de VFR 1200F dus op terug.
Voor nu nog even de werking van het TCS zonder keuze menu, waarmee we het enige echte serieuze negatieve punt hebben. Het reageert veel vroeger dan nodig en dan ook nog op brute en langdurige wijze. Het systeem gijpt zelfs op droog wegdek met ogenschijnlijk voldoende grip in, terwijl er nog niet eens helemaal volgas geaccelereerd wordt. Daarbij wordt het vermogen resoluut afgebouwd in plaats van licht bijgestuurd. Vervolgens duurt het enkele seconden voordat het weer op het niveau zit dat overeen komt met de stand van het gashendel. Safety First is leuk, op deze manier een systeem waar alleen moeders die van hun kinderen houden blij mee zullen zijn en misschien schoonmoeders…
Hoe dan ook: dit kan (en moet) veel beter!
Frame
Het frame is van aluminium en heeft anno 2012 weinig bijzondere kenmerken. Er is weinig van te zien, van het hulpframe al helmaal niks.

In de enkelzijdige achtervork huist ook de cardanas, maar deze komt in de buurt van de achtervorklagering uit zijn ´schulp´. De achtervork scharniert in het frame en niet in het blok. Daardoor ligt het draaipunt van de uitgaande versnellingsbak-as lager dan die van de achtervork. Bij BMW bijvoorbeeld is die hetzelfde. Honda heeft gekozen voor deze constructie om de cardanreacties in te dammen. Simpel gezegd komt het er op neer dat wanneer de reactiekrachten de achterkant omhoog wil duwen de cardanas over spiebanen uit elkaar getrokken wordt en zich tegen de erboven liggende achtervork af zet. (foto offset-pivot.jpg). Het werkt, maar daar is het mee gezegd. Vooral in de eerste versnelling komt bij stevig accelereren de achterkant ‘als een BMW R 69S uit 1968’ omhoog. Mogelijk dat door dit opstijgen de druk op het achterwiel en dus de druk van de band op de weg, dusdanig afneemt dat het de hierboven actie van het TCS ondersteund.
Vering
Voor zit een in deze klasse ´verplichte´ UPSD die een gebruikelijke 43 mm dik is. Zowel voor als achter zijn voorspanning en uitgaande demping instelbaar, de veervoorspanning achter dmv de bekende draaiknop. De veren zijn lang (165 mm voor en 145 mm achter) en zacht. Comfortabel dus en niet bang voor slecht wegdek. De afstelling leek te kloppen gelet op het feit dat er geen enkele journalist was die ´zichzelf wilde laten gelden´ door aan de vering te schroeven. Normaal is dat een soort gebruik, waarvan het nut twijfelachtig is en de onkunde vaak niet. Vering is een erg ingewikkeld verhaal en het kan heel gênant zijn om al na en paar kilometer te schroeven en te draaien waar fabriektestrijders duizenden kilometers aan gewerkt hebben. Terzijde…
Bij de Crosstourer is de balans voor en achter in ieder geval voor elkaar. Alleen bij stevig poken zou de achterkant wat straffer gezet mogen worden. Dat kan dus, maar was niet echt nodig.
Sturen
Stuurden alle motorfietsen maar zo. Volgend onderwerp… Nee, over de stuureigenschappen kun je weinig anders dan positief zijn. De Crosstourer stuurt voorspelbaar, vertrouwd, gemakkelijk, precies en zal je nooit voor verrassingen stellen. Het zwaartepunt ligt laag en het stuur is niet overdreven breed zodat het insturen niet heel flitsend gaat, maar je wordt daarvoor getrakteerd op een ´eenmaal op koers, blijvend op koers´ karakter. Je zet de lijn in en als door een computer gestuurd gaat hij richting einde bocht. Oneffenheden brengen hem niet van zijn wijs (hoewel we weinig slecht asfalt tegen gekomen zijn), bruut gasgeven laat hem ook onberoerd en ook midden in de bocht schakelen (wanneer het DCT daartoe in zijn onmetelijke wijsheid besluit) blijft de Crosstourer stoïcijns zijn traject vervolgen. Zelfs wanneer je door menselijk falen (snelheid verkeerd ingeschat, te laat ingestuurd, heldendrang, paniek, noem maar op) bij moet remmen in de bocht, reageert de Crosstourer heel gemoedelijk door zich nauwelijks en zeker niet oncontroleerbaar op te richten. De stabiliteit is onder de meest uiteenlopende omstandigheden voortreffelijk, de grondspeling meer dan voldoende gelet op de ongeschonden slijtknoppen onder alle geïnspecteerde motoren. Manoeuvreren is wat lastiger gezien het tamelijk hoge gewicht, maar door de smalle bouw kunnen de meesten goed met de voeten aan de grond, dus…
Remmen
Je raakt eraan gewend en dat is niet eerlijk: het gecombineerde remsystemen van Honda is echt één van de betere remsystemen. Je remt altijd voor en achter en als er iets dreigt te blokkeren, wordt de druk van het dreigende wiel afgebouwd en naar het andere wiel geleid. Pas wanneer alles dreigt te blokkeren grijpt het ABS in. Bijkomend voordeel van het bedienen van het remhendel is dat je ook achter remt. Omdat de achterrem de motor aan de achterkant in laat zakken, duikt de voorkant minder sterk. Een ´nose wheely´ wordt op deze manier ook tegen gewerkt. Onder normale omstandigheden blijft de motor mooi in balans en mooi rechtdoor gaan. Het werkt allemaal zeer gemoedelijk en geruststellend. De regelintervallen van het ABS hadden wat fijngevoeliger mogen zijn, maar tot het moment dat alle motoren met ABS uitgerust zijn, is alles beter dan op je plaat gaan.
Comfort
Over gebrek aan comfort heb je op de Crosstourer niet te klagen. Omdat alles op de juiste plek zit en je heen en weer kunt schuiven op het goed aanvoelende zadel, kun je het (naar alle waarschijnlijkheid) lichamelijk lang volhouden. De hoek van de knieën is meer dan aangenaam, de stroomlijn houdt je goed uit de wind, maar het ruitje stuurt ongeacht je lichaamslengte en stand meer of minder wind richting helm. Turbulentiearm (dat wel), maar ook geluidrijk (dat dan ook wel weer). Bedenkelijk en eigenlijk niet meer van deze tijd, is dat het ruitje door het lossen en vastzetten van vier schroeven over slechts een centimeter of vier versteld kan worden. Dat moet anders, zeker bij een motor van(af) € 15.999, -. Gelukkig is er een 145 mm hoger exemplaar te koop, maar daar moet dan wel weer € 172, – voor gedokt worden. Dezelfde kritiek voor de buddy. Deze is niet in hoogte verstelbaar, terwijl daar hele simpele en ‘niets’ kostende systemen voor zijn. Er zijn ook geen dikkere en dunnere zadels. Waarom bij nieuwkoop geen keuze pakket? Overigens is dit algemene kritiek die al dan niet in zijn geheel voor veel fabrikanten geldt.
Terug naar het bestaande comfort. Zoals gezegd trilt de VFR 1200X niet, laat staan dat hij pulseert, hamert of klopt. Geen kriebels in handen, voeten, zadel en buik. Ook geen druk op schouders en nek, geen slapende of tintelende handen. De kans dat de benzine eerder op is dan jij, ook als je alleen secundaire weg rijdt, is vrij groot. De weinig fantasierijk gevormde spiegels geven een volledig en uiteraard trillingsvrij beeld van wat achter je ligt, de jiffy is ook klachtenvrij. De optionele middenbok, waarvan we het vanwege de cardan door de vingers zien dat hij er niet standaard op zit maar wel weer € 215, – voor betaald moet worden, is minder gelukkig gepositioneerd. Het kost nogal wat kracht om de Crosstourer op te bokken.
Emotie en beleving
Honda zegt ook veel moeite te hebben gedaan om de uitlaatdemper zo te construeren dat er veel lage tonen vrijkomen in het lage en middentoeren gebed. Ze hadden net zo slecht energie kunnen stoppen in pogingen de overheden over te halen om 81 dB ipv 80 dB te mogen produceren. In beide gevallen zinloze acties. De uitlaat is zo stil dat je toch niks hoort, zeker met zijkoffer. Alleen vol op het gas hoor je het aanzuigen van het inlaatgeluid, totdat het door aanstormende wind overstemd wordt. Het blok loopt voor een V4 uitzonderlijk onopvallend en schurkt qua beleving heel dicht tegen een uitgebalanceerde viercilinder lijnmotor aan. Ook de krachtontwikkeling verloopt zeer gelijkmatig. Aan jou om het knap te vinden hoe ze die wild kronkelende vermogenscurve van de ‘oude’ VFR 1200F zo vlak hebben weten te krijgen, of je af te vragen waarom ze dit niet meteen zo gedaan hebben.
Kort door de bocht (wat met een stuuruitslag van slechts 40° en een draaicirkel van 2,7 meter heel goed kan) staat de Crosstourer bol van de ratio en hol van de emotie. Dat is niet goed of slecht, het is wat jij belangrijk en fijn vindt.
Bagagemogelijkheden
Ook hier is de vorm van de tank een nachtmerrie voor de tanktastourridder. Hij kan zo langzamerhand zich beter om laten scholen tot topkoffertourridder. Een universele tanktas kun je (voorlopig) vergeten, zelfs Honda heeft er (even) niet aan gedacht. Beter is de standaard bagagedrager waar serieus wat op kan, tenzij je een topkoffer gemonteerd hebt. Die topkoffer is 21 liter groot, maar kan door het ‘open’ ritsen vergroot worden. Slim en zó handig als je vlak voor aankomst nog wat boodschapjes wilt doen. De zijkoffers zijn links 39 liter groot (meeste helmen kunnen er in), rechts 35. Hang- en sluitwerk zijn goed: ging de (zelfde!) sleutel maar zo makkelijk in het contactslot. Twee extra sluitscharnieren lijken de koffers definitief waterdicht te maken. De koffers zien eruit alsof ze lijken van aluminium zijn, maar zijn van fragiel plastic. Qua sterkte en robuustheid bepaald niet off-road geschikt. Maar wie wilde er ook alweer op de Crosstourer naar Dakar?
Voor wie liever een bagagerol mee neemt dan schoonmoeders/vriendin: het duo-deel is groot en vlak en het ‘hekwerk’ voor bagagedrager/kofferophanging/handgrepen biedt mogelijkheden eventueel een reserve Crosstourer vast te snoeren als je tóch naar Dakar wilt of zo…
Tot slot de vraag of, en hoeveel ruimte er onder het zadel zit: met schaamrood op de kaken: deze vraag kan niet beantwoord worden….Foutje, bedankt
Conclusie
De Crosstourer is bijzonder: als enige Allroad heeft hij een V4 motorblok. Maar het moet gezegd dat het in alle opzichten eerder als een viercilinder in lijn aanvoelt. Objectief bezien kun je het blok alleen wat transmissiespeling verwijten, maar dan moet je wel een vergrootglas erbij halen. Hetzelfde geldt voor het rijwielgedeelte: alleen het niet geheel onderdrukken van de cardanreacties zou verbeterd kunnen worden. Wat insturen betreft kan Sherlock Holmes met ochtendhumeur vinden dat het iets te traag gaat, maar daar houdt dan ook echt alles mee op.
Een goede motor waar zelfs kleine minpuntjes niet aanwezig zijn om de zaak eens even lekker te verzieken, laat staan dat hij eigenschappen heeft om hem links te laten liggen in de overweging welke zware Allroad aan te schaffen.
Voor de volgende versie staan er eigenlijk maar twee echte verbeterpunten op de lijst: een betere werking van het TCS voor die enkele keer dat je volgas optrekt en de invoering van VKT: variabele kruktap timing. Voor degene die wat meer emotie in de V4 wil leggen.
Triumph viert 59-jarig bestaan Bonneville
Precies 59 jaar geleden introduceerde Triumph de Bonneville. De Britten omschrijven 1959 als het geboortejaar van een legende; ‘een motor die een revolutie ontketende in de motorwereld.’ Om die mijlpaal te vieren, lanceert Triumph de ‘Spirit of ‘59’ campagne. Voor motorrijders levert dat leuke win-acties op, een unieke T100 in de kleurstelling van 1959, Spirit of “59 Days bij de Triumph dealers en aanbiedingen tot en met juni.
Proefrit van twee maanden
Meriden maakte plaats voor Hinckley, maar de Bonneville bestaat nog altijd. Sterker nog, de line-up is groter dan ooit. Daar komt nog een jubileummodel Bonneville T100 in de kleurstelling van de eerste Bonnie bij. De motor in Meriden Blue en Exotic Orange is bij dealers te bewonderen tijdens de Spirit of ’59 Days. Iedereen die een proefrit reserveert in maart of april maakt kans om de speciale T100 twee maanden lang, te mogen rijden in juli en augustus.
Ontmoet Fred Kruger
Iedereen die een proefrit maakt op een Triumph Modern Classics en deze ervaring deelt, met foto op de motor, via Facebook met #Spirit59, maakt kans op twee vipkaarten voor de Bikers Classics van 30 juni tot en met 2 juli. Dat is inclusief een Meet & Greet met customgrootheid Fred Krugger. De Belg neemt er deel aan de Sultans of Sprint op een door hem zelf omgebouwde Bonneville Bobber.
Nog meer aanbiedingen
Koop je in maart, april, mei en juni een Bonneville dan trakteert Triumph op accessoires. Een overzicht van de geplande Spirit of ‘59 Days, de actievoorwaarden en aanbiedingen kan je hier vinden.
Ducati groeit tegen de verdrukking in
Ducati verkocht vorig jaar 55.871 motorfietsen, +0,8% ten opzichte van 2016. Het leverde een omzet van € 736 miljoen en een winst van € 51 miljoen op. De stijgende verkopen zijn extra knap omdat de mondiale verkoop van motoren boven 500 cc met 3,5% kromp. De omzet steeg in de afgelopen vijf jaar met 30%, Ducati heeft de stijgende lijn dus goed te pakken.
Optimistische baas
Claudio Domenicali, CEO van Ducati Motor Holding heeft vertrouwen in de toekomst: “In 2017 hebben we de basis gelegd voor verdere, toekomstige ontwikkeling. We lanceerden zeven nieuwe modellen. Verder presenteerden we de Panigale V4, de eerste Ducati fabrieksmotor met een 4-cilinder motorblok, het resultaat van de grootste investering die Ducati ooit in één enkel product heeft gestoken. Ook werd in 2017 het Scrambler gamma verder ontwikkeld.” Op dit moment telt Ducati in totaal 1.570 medewerkers. Het verkoopnetwerk bestaat uit 780 dealers in meer dan 90 landen.
Wie rijdt er in de buurt van Geneve?

In Geneve is momenteel de Internationale Motor Show gaande. Da’s een autobeurs. En op de Audi-stand staat de nieuwe Ducati Scrambler 1100 te pronken.
Volgende week vertrekt collega Jaap van der Sar naar Spanje (!) voor de introductie van de nieuwe Ducati Scrambler 1100. Het zal daarna niet lang duren of de Scrambler staat ook in de showroom van de Ducati dealer te pronken.
Wie zolang niet kan wachten, moet naar Geneve. Naar de Internationale Motor Show. Om je te helpen er zo snel mogelijk te komen: Hall 1, stand n. 1060.
Wel eerst even omkleden in de garderobe en een knap pak aantrekken. ’t Is een autobeurs, weet je nog?











