vrijdag 22 mei 2026
Home Blog Pagina 1145

Nieuw: Michelin Road 5 GT

0
Michelin Road 5 GT
De Michelin Road 5 GT is gemaakt voor lange afstanden.

Kilometervreters opgelet; Michael heeft de Road 5 GT gepresenteerd. Hey, kennen we die niet al? Ja en nee. De Road 5  wel, maar de toevoeging GT is niet zomaar er achter gezet. Om zoveel mogelijk te voldoen aan de verwachtingen van deze behoorlijk veeleisende motorrijders, spelen de prestaties op met name nat wegdek en de stabiliteit en een goed remvermogen een belangrijke rol. Dat geldt uiteraard voor elke band, maar toch is het nu anders bij deze GT. Waarom?

Vulcanisatiemallen

De Road 5 GT is, zo meldt het persbericht, namelijk tot stand gekomen dankzij een additieve productietechnologie met metaal. Daarmee kunnen geavanceerde vulcanisatiemallen worden gemaakt. Het resultaat: lamellen die zich verder ontwikkelen en Michelin XST Evo worden genoemd. Naarmate ze meer kilometers hebben gereden, worden de groeven van het loopvlak breder zodat de band een grotere groef/loopvlakverhouding krijgt. Zo behoudt de band, bij het slijten, zijn vermogen om water af te voeren.

Beschikbare afmetingen

Voor
120/70 ZR 17 (58W) TL
120/70 ZR 18 (59W) TL

Achter
170/60 ZR 17 (72W) TL
180/55 ZR 17 (73W) TL
190/50 ZR 17 (73W) TL
190/55 ZR 17 (75W) TL

Surf voor prijzen naar www.michelin.nl/motorbike/home-motor.

Sportweekeinde: Sport anders bekeken

0
Patrice Assendelft
Patrice Assendelft - op de foto naast Roan van de Moosdijk en burgermeester Marco Out - gaat lastige weken tegemoet…

Elke maandag bespreekt Marien wat hem opviel in het afgelopen sportweekeinde. Verwacht geen raceverslagen, maar wel een andere kijk op de actualiteit.

Wat ben ik blij dat ik niet in de schoenen sta van Patrice Assendelft. Ja, daar kun je een hele rits aan flauwe (en ook wel goede) grappen over maken, maar dat is niet waarom ik dit stukje tik. De meesten zullen Patrice vooral kennen als algemeen directeur binnen de KNMV maar hij is ook de teammanager van Team Nederland voor de Motocross of Nations. En precies daarom ben ik niet jaloers op hem.

2021

Hij is op papier namelijk de man die de keuze gaat maken voor de MX2. Tijdens de teampresentatie werd heel leuk gezegd dat het een teambeslissing gaat worden, maar iedereen die ooit bij zo’n proces aanwezig geweest is, weet dat uiteindelijk iemand de keuze moet maken. Anders is in december 2021 nog niet duidelijk wie had mogen rijden tijdens de MXoN 2019…

WK Veldrijden

Welke keuze hij ook gaat maken tussen Roan van de Moosdijk en Calvin Vlaanderen, er zullen altijd fans, kenners en rijders zijn die een andere keuze gemaakt hadden. Het doet mij denken aan de Belgische selectie voor het WK Veldrijden. Ook daar zijn teveel goede mannen voor te weinig plekken. Zodra die selectie bekend is, breekt de pleuris uit. Zo erg zal het bij Team Nederland denk ik niet worden, maar je weet nu al wat er gaat gebeuren als Nederland de zege misloopt doordat het in de MX2 net misliep.

Drie man nodig

Overdreven? Nee hoor, want met Glenn Coldenhoff (Open-klasse) en Jeffrey Herlings (MXGP) weet je dat je normaal gesproken altijd mee doet om zeges, alleen we hebben vorig jaar gezien dat deze twee kanonnen het samen net niet redden. Toen werden ze uiteindelijk heel knap tweede, maar om te winnen heb je toch echt drie man nodig.

Eén punt

De druk op Roan of Calvin zal daarom heel groot zijn. En dat geldt dus ook voor de keuze die Patrice Assendelft straks moet maken. In Turkije zal hij niet veel wijzer geworden zijn, om het nog ingewikkelder te maken. Roan pakte weliswaar een geweldig podium in de MX2, Calvin behaalde slechts één punt minder. Al kan juist wel dat punt uiteindelijk een groot verschil maken, zoals we zagen in 2016 toen Nederland exact één punt achter Frankrijk eindigde.

Soms is het helemaal niet erg om journalist te zijn. Sterkte Patrice!

Naar de bron van de Rijn

0

Wij kennen de Rijn als een brede, traagstromende rivier voor rijnaken en bejaardenreisjes. Maar in Zwitserland ken je hem niet meer terug. We volgen hem tot aan de bron.

Het doel van deze reis is een meertje in Alpen. Lai da Tuma. Drie woordjes uit een taal die bijna niemand meer spreekt. En ze klinken al net zo exotisch als Shangri La – de naam van een paradijselijke plek in Tibet uit de film Lost Horizons. Ook Lai da Tuma moet iets bijzonders zijn. Maar vooralsnog sta ik op het strand van Hoek van Holland en kijk ik uit op bulkcarriers, opslagtanks en containerschepen. Met op de achtergrond de pittoreske olieraffinaderijen van Pernis.

De reden hiervoor is dat er bij Lai da Tuma, dat hoog in de Zwitserse Alpen ligt verstopt, een kleine plaquette verwijst naar de plek waar ik nu sta: de Rijnmond. Dit is namelijk het absolute einde van de grootste en belangrijkste rivier van West-Europa – hier en daar beter bekend als: de Rijn. En Lai da Tuma dan? Dat is niet minder dan het absolute begin.

Elke liter water die hier de zee in stroomt, zal toch minstens een paar druppels uit het Zwitserse meertje bevatten. Nog mooier is dat hier een in feite een route ligt die je naar het hart van een schitterend deel van de Alpen zal brengen. Simpelweg het water zoveel mogelijk volgen, dan kom je er vanzelf.

Transportader

Maar dat ga ik natuurlijk niet doen. Als levensader heeft de rivier zoveel steden en industrie doen opbloeien, dat rijden geen pretje is en te weinig opschiet. Daarom sla ik een stukje over. Met een volbepakte Yamaha 660 XT wil ik in één ruk doorstoten naar het Zwitserse Schaffhausen. Daar maakt de beroemde Rheinfall een onverbiddelijk einde aan de Rijn als transportader. En dus kom je daarna nauwelijks meer grote steden tegen.
‘Wordt men niet gek van 800 km op een XT?’, vragen Duitse toerrijders me onderweg. Neen, gaar niet. Snel gaat het natuurlijk niet op de eencilinder. En dat wil je ook niet, met een windscherm dat alleen je navel uit de wind houdt. Maar het vrij smalle zadel zit beter dan je zou denken. Het kan natuurlijk comfortabeler. Maar deze keer heb ik vooral een motor nodig die een stevig stuk offroad aan kan, want de laatste kilometers naar Lai da Tuma zouden onverhard zijn.

Grootste waterval

Vlak voordat er een enorm onweer lostbarst, vind ik in Schaffhausen tegen de avond onderdak in hotel Rüden. Dat is hier het enige hotel dat standaard een plastic badeend in de badkamer legt, dus de keuze was niet moeilijk. Helaas zijn ze het bad zelf vergeten, maar goed, nattigheid zal ik de komende dagen nog meer dan genoeg voelen.

Schaffhausen heeft een overzichtelijk en historisch centrum met vakwerkenhuizen, terrassen en leuke winkeltjes voor je vrouw. Zelf loop je natuurlijk direct naar de statige fabriek van horlogemaker IWC, waarin een museum is gevestigd. Als het meezit, kun je hier de Grande Complication zien, het topmodel van IWC. Daar kun je tien Yamaha XT’s voor kopen. En dan hou je genoeg wisselgeld over voor twee Hummers. In 1868 vestigde het bedrijf zich hier vanwege de hydro-energie van de Rijn.

Maar Schaffhausen kennen we natuurlijk vooral van de Rijnwaterval. Merkwaardig eigenlijk, want die vind je hier niet. Ik moet ervoor naar Neuhausen rijden, vier kilometer stroomafwaarts. Maar dan heb je ook wat. Over een breedte van 150 m stort het water 23 meter omlaag. ’s Zomers gaat er per seconde gaat er 700 kuub doorheen. En daarmee is het de grootste waterval van Europa.

Bodensee

Ik pak mijn route op en slinger samen met Rijn door het Zwitserse laagland naar het oosten. De rivier wordt breder en breder en na 25 kilometer groeit hij uit tot de Bodensee – die ongeveer half zo groot is als het IJsselmeer. Opvallende overeenkomst tussen de twee: beide worden voor het overgrote deel gevoed door de Rijn. Maar vandaag wordt de Bodensee vooral gevoed door water van boven. In het begin word ik een paar keer op mooie uitzichten getrakteerd, vooral vanaf Slot Arenenberg, een oud buitenverblijf van Napoleon. Daarna barst het noodweer los, waardoor ik nauwelijks meer zicht heb.

Aan de oostkant van de Bodensee herneemt de Rijn zich en trekt hij langs de Oostenrijkse grens zuidwaarts. Hier heeft hij al het karakter van een bergrivier: breed, ondiep met snelstromend grijs water. Even daarna komen bergen die aan beide zijden tot de 2000 m reiken. Het dal ertussen heeft de rivier zelf uitgehouwen toen het nog een gletsjer was.

Liechtenstein

Na Oostenrijk volgt aan de overkant Liechtenstein, waar de Rijn het zelfs tot de titel van het volkslied heeft geschopt: Oben am jungen Rhein. Je kunt het direct meezingen, want het heeft de melodie van God save the queen – net als de vroegere nationale hymnes van Zwitserland en Duitsland.

Tegen beter weten in steek ik in stromende regen de Rijn over om het dwergstaatje te verkennen. Maar dat wordt natuurlijk een troosteloos rondje, waarin ik niet veel meer kan ontdekken dan dat de vorst van Liechtenstein vanuit een intimiderend adelaarsnest op Vaduz uitkijkt. En dat de putdeksels glad zijn en veel mensen een paraplu dragen. Tja. Was ik maar Floortje Dessing, dan kon ik roepen dat ik het helemaal geweldig vond.

Heineken

In het zuidoostelijke kanton Graubunden klaart het op. Dat is niet te laat, want hier beginnen de Alpen pas goed. Hier liggen hoge passen, 150 dalen en bijna 1000 bergtoppen. En vooral: hier wordt de Rijn een spektakel. Tot aan Chur – oudste stad van Zwitserland – loopt de Rijn met flauwe bochten door een aangelegde bedding. Maar vlak erna gaat ie hevig slingeren en slijpt hij zich luidruchtig door rotsen en canyons. Dit begint allemaal direct na het passeren van de brouwerij van Heineken Zwitserland – alsof ze het erom gedaan hebben.

De weg naar de Oberalppas kan de losgeslagen rivier vanaf dat moment niet meer volgen en stijgt naar een hoogte van 1100 meter. Op de droge asfalt kan ik hetzelfde doen als de Rijn onder me: uitrazen als een jonge hond. Naast me liggen de eerste besneeuwde bergtoppen, voor me de zuivere groene Alpenwijden, met in de verte het gigantische klooster van Disentis. Dat is mijn honk voor de komende dagen – of beter gezegd: het café met hotel dat ernaast staat. Zo wordt het tegen het eind van de dag toch nog een lekker reisje langs de Rijn. Heerlijk aan zwier, zwier, zwier, bij de rivier, vier, vier.

Als ik de Rijn bij Ilanz (dat zich ‘Die erste Stadt am Rhein’ noemt) weer tegenkom, herken ik hem nauwelijks meer. Hij heeft dan ook een paar flinke aderlatingen de rug. De zwaarste kwam vlak na Heineken, waar de Hinterrhein zich afsplitste – zeg maar de B-Rijn. Vlak voor Ilanz ging de Valscher Rhein ervandoor. En zo is de breedte teruggelopen van bijna 100 naar ongeveer 25 m.

Bier, bier, bier

In het centrum van het rustige wintersportplaatsje Disentis neem ik mijn intrek in motorhotelletje Alpsu. Eenvoudig, maar met een alleraardigste gastheer en -vrouw, een goede keuken en een café dat de hele dag is geopend. En ik krijg er ook nog een groep motorvrienden bij cadeau – goedlachse Duitsers. Het is alsof ik thuis kom. Wel zo prettig, want de weersverwachting voor de komende dagen is niet best. Regen, regen en nog eens regen. Dat betekent dus bier, bier en nog eens bier. En uitgebreid eten. Vanavond: capuns, een soort pasta in bladeren gewikkeld. Gastheer Martin zegt er trots bij dat hij wereldkampioen capuns koken is. Niet dat iemand buiten Graubunden ooit van het gerecht heeft gehoord, maar het smaakt werelds.

Rijn-venijn

De top van Oberalppas hangt ’s morgens helemaal in de wolken, mogelijk valt er sneeuw. Dat betekent dat ik niet bij Lai da Tuma kan komen. Daarom ga ik tussen de buien door terug naar Ilanz, waar ik de Rijn oversteek. Via een doodlopend, deels onverhard paadje met wat haarspeldbochten rijd ik bij het dorp Versam naar beneden. Daar sta ik in het hart van wat ik gisteren heb gemist: de Grand Canyon van de Rijn, of wel de Rheinschlucht. Steile, wilde kalkrotsen waartussen Rijn een slingerende schacht van bijna 200 m diep heeft uitgesleten. Bijzonder is dat al dit gesteende 10.000 jaar geleden twee kilometer hoger op de bergpas lag. Door de terugtrekkende Rijngletsjer kwam de vijftien kubieke kilometer puin naar beneden. Het was veruit de grootste aardverschuiving die de Alpen ooit hebben gekend. Met een huurkano of raftend kun je de wildkolkende Rijn hiervandaan tien kilometer afzakken. Da’s is nog eens wat anders dan dat laffe gedobber op een bejaardenbootschuit bij Koblenz.

Voor een volgend staaltje Rijn-venijn rijd ik naar de Viamalaschlucht in de Hinterrhein, 30 km verderop bij Thusis. Viamala betekent kwaadaardige weg, omdat veel reizigers hier vroeger de onderbroek niet schoon konden houden. Nog steeds is te zien waarom. De Rijn heeft hier een onwaarschijnlijk beklemmende gorge in het steen gefreesd van driehonderd meter diep. Tegen de bijna loodrechte wand liep een glibberig pad, waar de keien als rijpe appelen op neerdaalden. Wie viel, kwam in een gehaktmolen van kolkend en tierend water terecht. Tegenwoordig ligt er honderd meter boven de afgrond een asfaltweggetje, maar het water is nog altijd even woest. Om erbij te komen kun je gewoon een trap nemen. (321 treden, prijs: 5 euro.)

Meer Rijn-agressie, maar dan eerder van de categorie huiselijk geweld, vind ik bij de Rofflaschlucht – tien kilometer zuiderlijker, even voorbij Bärenburg. Hier heeft een hoteleigenaar een kleine eeuw geleden met 5000 staven dynamiet een passage gemaakt naar een kloof met waterval. Om erbij te komen moet je door het café naar binnen en een euro betalen. Je kunt doorlopen tot onder de waterval.

Whahaha!

Terug in het hotel is de stamtafel alweer gevuld met vooral Duitse motorrijders. Erg gezellig, maar helaas is mijn woordenschat zo groot als die van een Duitse herder. Om vlot wat terug te zeggen, vul ik al mijn Duitse leemtes maar in met Engels. Ik klink dus ongeveer als General von Klinkerhoffen uit ‘Allo ‘Allo. Maar de Duitsers doen alsof ze het begrijpen, dus hebben we eigenlijk gans geen probleem.

Verstaan gaat me beter af. Totdat een Oostenrijkse motorrijder aanschuift. Grote verhalen natuurlijk weer, maar ik kan er geen touw aan vastknopen. ‘Und dann war er ganz hinuntergefahren und dann hattergesagt: wawawa wiwawaowwowiwiwi!’
‘Hahahahaha!’ buldert de hele groep en ik doe mee. Wat de clou is, ontgaat me. Maar aan de manier waarop het wordt verteld, begrijp ik dat ie is gekomen.

‘Begrijp je eigenlijk wel wat die Oostenrijker zegt?’ vraagt een van de Duitsers me na het zoveelste sterke verhaal. ‘Om eerlijk te zijn: heel weinig,’ antwoord ik. ‘Nou, dat is dan net zoveel als wij! Whahahahahaha!’

Ter verhoging van de feestvreugde vanavond gnocchi met versgeplukte steenzwam.

Pirouette

Het gebied van de Rijnbron wordt omgeven door prachtige bergpassen. De St. Gotthardpas, het rondje Furka-, Grimsel-, Sustenpas. En iets verder de Nufenenpas en de Klausenpas. Daarom zie je hier ook zoveel motorrijders. Als het tenminste droog is. Dat is vandaag nog steeds niet het geval. Maar aan het eind van de middag klaart het op en kan ik in elk geval naar de top van de Lukmanierpas, die om de hoek van hotel Alpsu begint. De pas komt niet echt hoog (1914 m) en telt nauwelijks haardspeldbochten of andere hindernissen. Daarom nodigt hij uit tot een stevige aanval, maar dat kun je maar beter vergeten. Voor de top krijgt hij namelijk een betonnen wegdek en de bijbehorende borden die voor slipgevaar waarschuwen. Ik negeer ze en voel ik voel mijn achterwiel wegschieten als ik door een plas rijd. Ik maak een kwart pirouette, die een tegenliggende automobilist bovenop de remmen doet staan. Puur geluk houd me overeind. Op de terugweg stop ik bij dat punt om te voelen en ga zelfs te voet bijna onderuit.

Maar goed, ’s avonds lekkere lamsbout en nieuwe sterke verhalen.

Grimmig plaatje

Bij het ontbijt heeft chef Martin goed nieuws. ‘Je kunt naar Lai da Tuma! Geen regen meer en vanaf morgen een hele week zon.’ Een half uur later ben ik op weg naar wat mijn zwaarste beproefing in jaren zal worden.

Lai da Tuma ligt een kilometer of vier naast de Oberalppas. Er schijnt een onverharde weg naartoe te lopen, maar die staat op geen enkele wegenkaart, zelfs niet in de Grosser Alpenstrassenführer van Denzel. Als ik de afslag heb gevonden, zie ik op een bord de verklaring. Het is militair gebied en verboden voor motorvoertuigen. Het bord geeft ook aan de er vandaag niet wordt geoefend. Dat lijkt me voldoende om het er toch op te wagen. Ik klauter een steil weggetje op en na een paar haarspeldbochten sta ik bovenop een bergkam die hoger ligt dan de Oberalppas. De vallei voor me heeft genoeg gras voor een kudde koeien, maar de grauwe bergen eromheen, met verse sneeuw op de toppen maken er een grimmig plaatje van.

Op handen en voeten

Een kleine wandelwegwijzer geeft na vier kilometer aan dat Lai da Tuma nu heel dichtbij is. Hemelsbreed slechts 500 m, maar wel 200 m boven me. Rijden kan ik direct uitsluiten, maar zelfs lopen op de met keien bezaaide helling lijkt nog geen optie. Met moeite ontdek ik een wandelspoortje dat om de vijf meter gemarkeerd is met een beschilderde kei. Zigzaggend en zoekend naar de volgende markering klauter ik omhoog, soms op handen en voeten. Het zoute zweet prikt in mijn ogen en gutst van mijn neus. Mijn hartslag zit ver in de rode zone. Om de 150 stappen plof ik neer om op adem te komen. Na een half uur ploeteren kom ik zo bij een waterval van een halve meter breed. Steunend tegen de rotswand doe ik nog een paar stappen omhoog en dan ben ik er. Op 2343 m wacht Lai da Tuma me ijzig kalm op. Ik neem een paar slokken water uit de eerste meters van de Rijn en kijk om me heen. Het meertje heeft de omvang van twee voetbalvelden en ligt in een kom van bergen. Door de beschutting voel ik geen zuchtje wind. Het lijkt het alsof ik in een stadion ben met lege tribunes van een halve kilometer hoog. Onwerkelijk.

Ik loop een stukje langs de oever en vind de plaquette. ‘RHEINQUELLE 1320 km bis zur Mündung’ staat erop. Dit is een logische plek om aan de Rijnmond herinnert te worden. En tegelijkertijd de meest onwaarschijnlijke.

Download de route (trk, gpx, route & itn)

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Rijn_bron.GPX”]

Getest: MASH Dirt Track 6.5

0
MASH Dirt Track 6.5

Wanneer je opgezweept door het 644cc luchtgekoeld eencilinder-blok overenthousiast de motor een bocht in duwt, voel je dat de MASH Dirt Track 6.5 een motorfiets uit het budgetsegment is. Vraag rest of dat erg is. Om dat te beantwoorden, moet je eerst erkennen dat banden als hier gebruikt niet ideaal zijn als je voor strak en voorspelbaar sturen gaat. Het zijn modebanden en zo rijden ze ook. De besturing is vrij vaag onder insturen, maar went desondanks vrij vlot. Eenmaal gewend aan de nukken van het agressief genopt profiel, begint de pret.

MASH maakt goed gebruik van de verlopen licentie van het blok dat Honda ooit in de NX650 Dominator gebruikte. Enkel de emissie-eisen beperken de MASH tot 40 pk, terwijl het originele blok in de Honda 48 pk produceert. Desondanks hangt de MASH beduidend enthousiaster en mooier aan het gas. Starten gaat – zoals bij elke grote eencilinder – met een subtiele terughoudendheid, maar eenmaal lopend reageert het feilloos. Acceleratie is meer dan prima en de motorrem niet hinderlijk.

Beter goed gejat dan slecht verzonnen; MASH heeft haar huiswerk gedaan en het blok echt wel heel goed gejat. Dat blok in dit rijwielgedeelte kan niet anders dan als een funbike omschreven worden. Heel comfortabel is de 6.5 niet, heel snel ook niet en snaarstrak sturen is hem ook vreemd. Plezier maken is de Dirt Track dan weer op het lijf geschreven. De vering is wat zacht terwijl de remmen ruimvoldoende, maar totaal niet overdadig zijn. Hier kan de voetnoot bij dat andere banden daar een groot verschil in kunnen maken.

De 6.5 een motorfiets die keer op keer voor een glimlach op het gelaat zorgt.

Alleen je wilt geen andere banden en je hoeft geen comfort. Je wilt op het oog flattrack-waardig rubber en je wilt dat de motor je vrolijk maakt. Dat is waar de MASH Dirt Track voor bedoeld is. U vraagt en de 6.5 draait. Het Limburgse heuvelland is een perfect voorbeeld van het soort bochtige wegen waarop de Dirt Track het best uit de verf komt – zelfs de steilere heuvels kan ‘ie prima hebben, trouwens. Eenmaal uitgespeeld, is de MASH een motorfiets die je met plezier bij het terras parkeert.

In praktische zin is de Dirt Track dan toch heel beperkt. ABS is aanwezig – en simpel uit te schakelen met een knopje op het stuur; waarom je dat zou willen is de vraag – maar verder is de tank klein en het zadel niet heel lang vriendelijk voor het zitvlak van de berijder. Vreemd genoeg maakt dat niet veel uit. Bochtige wegen daargelaten is de MASH Dirt 6.5 namelijk een gave motorfiets om te zien, prima uit te houden en ook meer dan vlot genoeg voor gebruik in de stad. Zoals het stuur zich richting je handen slingert en je actief op de motor zet, slinger je moeiteloos door stadsverkeer. Allemaal terwijl je het idee hebt met een veel dikkere machine op pad te zijn dan je van een 650-eenpitter zou verwachten. Het geluid blaft lekker door zonder asociaal te worden en de gasreactie biedt meer dan genoeg pit.

Met elke klap die die ene cilinder maakt trapt de Dirt Track je door naar het volgende bochtje.

Overigens doen de banden wellicht aan alsof de 6.5 met plezier een zandpad opvreet, wat we uiteraard getest hebben. De conclusie is kort maar krachtig; doet ‘ie niet. Want terwijl de banden zich nog redelijk staande houden, beperken de op straatgebruik gerichte voorvork en schokdempers offroadgebruik nog het meest. De MASH Dirt Track 6.5 is namelijk niet zo zeer een dirttracker of flattracker; het is een streettracker. De looks zijn voor elkaar, het blokje is meer dan leuk en zelfs op deze – qua uiterlijk wil je ze niet missen – banden is de 6.5 een motorfiets die keer op keer voor een glimlach op het gelaat zorgt.

MASH Dirt Track 6.5

Rekening houdend met de prijs van 6.898 euro en de praktische beperkingen die bij een motor als deze horen, krijg je met de Dirt Track heel veel waar voor je geld. Het is pure pret met een enkele cilinder, vier kleppen en 644cc aan cilinderinhoud. Met elke klap die die ene cilinder maakt trapt de Dirt Track je door naar het volgende bochtje – terug naar die fantasie van als een echte flattrackracer overdwars de bocht in duiken. Alleen zijn die flattrackmachines niet alleen beduidend duurder; ze zijn ook niet straatlegaal. De MASH Dirt Track 6.5 is dat wel – en waar voor zijn geld ook.

Foto’s: Target Press

Zondagmorgenfilm: Wayne Rainey aan het woord

0
Wayne Rainey

Voor de meesten behoeft Wayne Rainey geen introductie. Voor hen die de Amerikaan niet kennen leggen we het zo kort uit, maar verder laten we in deze Zondagmorgenfilm vooral de GP-wereldkampioen van 1990, 1991 en 1992 zelf aan het woord.

Wayne Rainey, geboren in Downey in de staat Californië in de Verenigde Staten, was een rijzende ster in de jaren tachtig. In de VS maakte Rainey naam in het dirttrack, maar in 1984 leek daar verandering in te komen toen hij in dienst van Kenny Roberts in de 250cc-klasse van de Grand Prix ging rijden. Het uitstapje naar het wereldtoneel bleek precies dat; een uitstapje. In 1985 was hij terug in de VS en liet hij zien dat zijn ene jaar op GP-niveau een dwaling was.

Tussen 1985 en 1987 reed Rainey onder meer in de Amerikaanse 250cc-klasse en de toenmalige F1 en AMA Superbike-series. Dat seizoen van 1987 werd een springplank, maar niet per se voor Rainey an sich. Dat seizoen ontstond in de Amerikaanse Superbike-serie een rivaliteit die nooit geëvenaard werd. Rainey knokte dat seizoen hand en tand met ene Kevin Schwantz – de uiteindelijke wereldkampioen van 1993. Schwantz en Rainey als water en vuur omschrijven dekt de lading niet.

Zeker niet wanneer je terugblikt op de Transatlantic Match Races op Brands Hatch in datzelfde jaar. De Transatlantic was een soort landen-competitie tussen de VS en het VK. Rainey en Schwantz kwamen als teamgenoten aan de start, maar waren drukker elkaar het leven zuur te maken dan de Britse concurrentie.

Opnieuw het Grand Prix-avontuur

Het jaar erop ging Rainey op een Yamaha opnieuw het Grand Prix-avontuur aan, ook weer met Team Roberts – in de koningsklasse ditmaal. Aartsrivaal Schwantz trad ook aan in de 500cc-klasse, en wel met Suzuki. In de jaren die volgden bleef de rivaliteit in alle heftigheid voortduren, waarmee de beide Amerikanen elkaar tot waanzinnige sportprestaties dreven. Rainey bleek in het begin van de jaren negentig de sterkere van de twee, toen hij drie jaar op rij de wereldtitel naar zich toe wist te trekken in 1990, 1991 en 1992.

Seizoen 1993 zou het top- en eindpunt van de rivaliteit blijken. Op het circuit van Misano crashte Rainey vanaf de leiding. Op dat moment had de drievoudig kampioen een aardige marge op Schwantz, maar de klapper die bijna het einde van zijn leven zou betekenen, betekende sowieso het eind van zijn carrière. Rainey brak zijn rug en de Amerikaan was verlamd vanaf zijn borst. Schwantz won dat jaar de titel.

Ontbrekende drijfveer

Het wegvallen van Rainey viel voor Schwantz verrassend zwaar. De twee waren wel rivalen en vriendjes onder geen beding, maar rivaliteit is een drijfveer en die drijfveer ontbrak voor Schwantz. Na 1995 nam hij mede daardoor afscheid van de GP-racerij.

De Californiër werd later nog tijdlang teammanager van het Yamaha-fabrieksteam en is nu sinds een aantal jaar de drijvende kracht achter MotoAmerica, dat de Amerikaanse wegracerij organiseert. Bovenal wordt Rainey vandaag de dag nog altijd hoog aangeschreven om zijn racekunde en dan met name de doordachte aanpak en vloeiende, snelle rijstijl.

Video: Youtube
Foto: 2Snap

Voor jou getest: Stadler Tour Evo

0
Stadler Tour Evo, motorkleding, motorpak, regenpak

Elke zaterdag lees je een recensie over producten die we uitproberen bij het rijden van onze talloze testkilometers.

Niet eerder deed een flinke regenbui me zo weinig dan sinds ik met deze Tour Evo-jas en -broek van Stadler over straat ga. Water heeft namelijk echt geen enkele kans om binnen het pak te geraken. Zowel de jas als de broek is namelijk voorzien van een gelamineerde buitenlaag – die uit drie lagen bestaat – waar vocht en zelfs ook vuil geen grip op krijgen. Het resultaat is dat water er gemakkelijk vanaf loopt en omdat de buitenkant is geïmpregneerd, veeg je vuil met een natte doek zo weg.

Daarbij wordt er gebruikgemaakt van Gore-Tex dat voldoet aan de hoogste standaarden, waardoor het pak ademt zonder vocht door te laten. Het voordeel van dit alles is dat het pak dus niet nat kan worden en niet zwaarder wordt door het extra gewicht van het water. Overigens zitten er ook ontluchtingsritsen aan de voor- en achterzijde, zodat je bij hogere temperaturen niet bang hoeft te zijn
dat je je pak uitdrijft van de hitte.

Protectie

Waar dit Stadler-pak zich echt in onderscheidt is dat deze gelamineerde buitenlagen gemakkelijk zijn te verwijderen. Voor de broek heb je aan beide broekspijpen een lange rits aan de zijkant tot net onder je riem die zowel van boven als van onderen open kan. Van bovenaf kun je dan bij je broekzakken en een extra zak op beide bovenbenen. Van onderaf stap je – mits je de drie lusjes met drukknopen openmaakt die de binnenbroek aan de buitenbroek vastmaakt – zo uit de dunne anti-waterlaag zonder zelfs maar je laarzen uit te hoeven doen. Hetzelfde gaat op voor de jas, al is het doordat je je armen niet helemaal achter je rug kan strekken door de rug- en schouderprotector(s) net even wat gemakkelijker en sneller om hem gewoon uit te doen.

Laat maar waaien

Die protectoren zitten in de binnenjas en -broek, die beide als doorwaaipak fungeren zonder de buitenste lagen. Daardoor heb je altijd de
hoogste bescherming. En het is comfortabel. Met andere pakken moet je lagen aan de binnenkant gaan toevoegen voor warmte en/of
vochtbescherming waardoor je soms een kledinglaag moet uittrekken omdat het pak te strak gaat zitten. Dat is met dit Stadler-pak gelukkig niet het geval. Wat wel gezegd moet worden is dat het pak van zichzelf niet enorm warm is. Aanritsen helpt natuurlijk een stukje, maar doordat de binnenjas met al die Cordura-doorwaaistukken eigenlijk gewoon ‘maar’ een zomerse doorwaaijas is en de
gelamineerde laag niet zo dik is dat het warmte goed insoleert, is het raadzaam om wel iets van een soft shell of thermokleding aan te doen. Staat het kwik boven de 13 graden, dan is dat eigenlijk al niet meer nodig. De broek is overigens een stukje warmer. Daar zitten geen ventilatieritsen in, of je moet de zijkanten deels openzetten.

Al met al is de kwaliteit van deze Tour-Evo-combinatie echt enorm hoog. Door zijn grote veelzijdigheid – met name door de vele zakken en de gemakkelijk te verwijderen buitenlagen – is hij echt al heel gauw mijn favoriet geworden. Maar daar is de prijs dan ook wel naar. Houd je even vast, want we zitten hier echt in de bovenste laag van de all weatherpakken. Bij elkaar kost de combi namelijk 2418 euro. Maar dan wordt je dus ook écht niet meer nat.

Product Stadler Tour-Evo
Prijs Jas € 1469, broek € 949
Maten Jas en broek: heren 48-60, 98-114, 25-30; dames 36-44, 76-80, 19-23
Importeur Perier Motorsport

Ötztaler Gletscherstrasse: de hoogste op 2.829 meter

0

Sinds de aanleg van de Ötztaler Gletscherstrasse kun je bij Sölden ook in de zomer skiën. De weg leidt namelijk naar het hoogst over asfalt bereikbare punt van de Alpen, waar hij aan de voet een van de grootste gletsjers uitkomt.

Maar in half augustus lijkt Sölden meer op een motordorp dan een skioord. Groepjes motorrijders rijden af en aan of hebben plaatsgenomen op de terrassen, waar borden aangeven dat Biker willkommen sind. En wat doen de motorrijders aan de voet van het hoogst bereikbare punt van de Alpen gaat? Ze rijden er massaal voorbij. Negen van de tien gaan de Timmelsjoch naar Italië op. Een fantastische pas, daar niet van, maar na afloop hoor je ze klagen dat het veel te druk is geworden. En dan heb je nog eens die mafkezen met hun veel te brede Lambo’s en Ferrari’s die er in het weekend een potje komen blaffen. Ergerlijk.

Toch zijn er wel een paar redenen te bedenken waarom vrijwel iedereen de Ötztaler Gletscherstrasse vandaag overslaat. Een ervan is dat het VVV me vertelt dat het laatste deel van de weg is afgesloten. De enige juiste reactie op die mededeling is: ‘Dat zullen we nog wel eens zien.’ Ik ben namelijk op een BMW 1200 GS, dus ben ik volstrekt unstoppable. Lees de advertenties maar.

Tien keer kehren

In alle rust begin ik dus aan de 14 km lange klim naar de top, die op 2829 m ligt. Dat komt neer op bijna 1500 m klimmen vanaf Sölden. Verwacht desondanks geen haarspeldbochtencircus, integendeel. De hele weg telt slechts tien ‘Kehren’. Stijgen gaat via lange rechte lijnen van rond de tien procent. En dat moet een tweede reden zijn waarom de Ötztaler Gletscherstrasse weinig populair is onder motorrijders.

De derde reden doemt noemt vijf kilometer op. Een Mautstation. Ik schrik me een ongeluk. Want maut is tol. Nadat mijn hartslag tot onder de 120 is gezakt, betaal ik vijf euro. Maar op de Timmelsjoch ben je het dubbele kwijt, dus die reden telt niet echt.

Daarna gaat het snel omhoog. Mijn oren ploppen een keer of twee, ik moet even stoppen omdat ze de weg aan het verbreden zijn en vervolgens rijd ik een tunnel in. Aan het eind van de tunnel staat een bordje met de hoogte: 2829 m. ‘Ben ik er nou al?’ denk ik. Van een afsluiting heb ik niets gemerkt. En voordat ik ook maar iets van rijsensatie hebt gevoeld, sta ik op het hoogste punt. Dat moet reden drie tot en met twaalf zijn waarom motorrijders deze weg links laten liggen.

Groots en geweldig

En toch hebben ze ongelijk. De weg mag dan simpel zijn, dan omgeving waarin je terecht komt is groots en geweldig. Een ijswereld waarin gletsjers de altijd verbijsterende ravage van afgesleten rotsen, puin en keien hebben aangericht. Een decor waarin je zelf niet groter bent dan een kiezelsteentje, met rondom zicht op toppen boven de drieduizend meter. En dan kun je vlak voor de tunnel ook nog een uitstapje maken van een kilometer naar de parkeerplaats van de Tiefenbachferner die op 2800 m hoogte ligt. Heb je in eenvoudig ritje toch maar even het hoogste en twee na hoogste asfaltpunt van de hele Alpen bereikt. Bijkomen van al dit moois kun je in het restaurant bij de skilift, die je vlak na de tunnel bereikt.

Heb je toch een beetje een kater van de weg opgelopen, rijd dan door naar de Kaunertaler Gletscherstrasse, die zal alles meer dan goed maken. Het goede nieuws is dat die hemelsbreed nog geen twintig kilometer verderop ligt. Het slechte is dat je er over de weg 125 km voor nodig hebt.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Alpentoppen.GPX”]

 

 

 

 

 

 

Kwellende gedachte: nieuwe Suzuki Hayabusa

0

Sinds afgelopen jaar volgen we de geruchten rond de nieuwe Hayabusa. De supersonische Suzuki zou een groter (turbo)blok krijgen, een agressiever ontwerp en nog veel meer. Zoveel zelfs dat de liefhebber van deze motoren meer keuze heeft dan alleen de Kawasaki Ninja ZX-14R. Zoals zo vaak: de geruchtenstroom blijkt voor dit jaar allemaal zou, zou te zijn geweest.

Onlangs heeft Suzuki de 2020 Hayabusa onder het doek getrokken. En wat kwam er onder vandaan? Het tegenovergestelde van wat we verwacht hadden. Alles blijft bij het oude. Het blok (197 pk €9.500 tpm, 155 Nm @ 7.200 tpm), het design. Alleen de kleuren zijn anders: Candy Daring Red en Metallic Thunder Gray. Ook ongewijzigd: een nieuwe Hayabusa staat nergens bij een Europese dealer. Die voldoet immers niet aan de strenge Euro5-normen. Voor een nieuwe moet je naar de USA, waar ie wel in de Suzuki-brochure staat.

Droom of niet?

Maar er is hoop. Het nieuws rond een echt nieuwe Hayabusa bereikt ons in puzzelstukjes, die we uit flardjes nieuws peuteren als patentaanvragen en octrooien. Zoals het patent waarin de positie van de sensor van de versnellingsbakindicator wordt beschreven. Bijgevoegde schetsen laten ook stukjes van het frame zien. En ‘goed ingevoerde bronnen’ beweren dat het frame een stuk moderner en lichter zal zijn dan het exemplaar van het voorgaande model. Ook beweren ze dat het blok (vier-cilinder-in-lijn) meer inhoud krijgt dan het huidige blok van 1.340cc.

Nog interessanter: het patent suggereert het gebruik van een conventionele versnellingsbak. Eerder dit jaar doken soortgelijke schetsen op waarin een gecompliceerde DCT-bak werd beschreven. En dat pookt het geruchtenvuurtje weer wat op: is de nieuwe Hayabusa straks verkrijgbaar met twee versnellingsbakken waaruit je kunt kiezen? Deze sporttourer met een DCT zien wij wel zitten.

Wil je de motorwereld écht overtuigen, moet je met meer komen dan alleen een zwaarder blok en een slimme versnellingsbak. Om het de eerder genoemde Kawasaki echt moeilijk te maken, ontkom je niet aan een modern/uitgebreid elektronicapakket dat bestaat uit ride-by-wire, veel meer dan de huidige drie rij-instellingen, onmogelijk veel keuze uit wanneer de traction control moet ingrijpen, IMU, bochten-ABS, wheeliecontrole en noem maar op.

Maar goed, voor 2020 lijkt een ‘Europese’ Hayabusa een mooie droom. Jammer, want het is dit jaar 20 jaar geleden dat we voor het eerst van de Hayabusa hoorden. Daarentegen blijft voor 2021 natuurlijk nog van alles mogelijk.

Harley van Elvis breekt geen record

0
elvis presley harley-davidson

Een Harley-Davidson FLH 1200 Electra Glide uit 1976 van Elvis Presley is verkocht voor ‘slechts’ 800.000 dollar. De verkoopprijs lag erg enthousiast ingeschat tussen de 1.750.000 en 2.000.000 dollar. Toch doen Harley-Davidsons van sterren het altijd goed in de verkoop.

HD van Arnie en de paus

De 1959 FLH Panhead Duo Glide van rock & roll-ster Jerry Lee Lewis ging in 2015 voor 385.000 dollar van de hand. Lewis kreeg de motorfiets ooit cadeau van Harley-Davidson. De Fat Boy waarop Arnold Schwarzenegger in de film Terminator 2 Judgment Day reed deed het met 512.000 dollar nog een stukje beter. Het is daarmee de op twee na duurste Harley-Davidson ooit. Voor een 1907 Harley-Davidson ‘Strap Tank’ eencilinder werd ooit 715.000 dollar neergelegd.  Van rock & roll is bij paus Franciscus geen sprake, maar een Harley-Davidson van de paus bracht ooit 327.000 dollar op.

Fonz en Brando

De echte rock & roll kleeft aan de gat van de Fonz uit de serie Happy Days. De 1949 Triumph 500cc Trophy van acteur Henry Winkler ging in 2018 als duurste Triumph ooit voor 179.200 dollar van de hand. De Husqvarna van King of Cool Steve McQueen was goed voor een indrukwekkende 230.000 dollar terwijl de Ariel Cyclone 650 van Buddy Holly voor 450.000 van de hand ging. Daarbij vergelen is de 256.000 dollar voor Marlon Brando’s 1970 Harley-Davidson FLH Electra-Glide een fooitje.

Altijd binnen gestaan, zgan

De motorfiets van Elvis Presley stond dertig jaar lang te schitteren in het Pioneer Auto Museum. De dikke twin met een door Elvis bedacht kleurenschema heeft slechts 203 kilometer op de teller. Eigenlijk had de verkooptekst dus kunnen luiden: Harley-Davidson FLH 1200 Electra Glide te koop, zgan, altijd binnen gestaan, van een oud rockertje geweest.

Inhoud, routes & video’s Promotor 07/19

0
Cover Promotor 7/19

Toeren

Duitsland: 30 jaar vrijheid in de Rhön

Dertig jaar geleden gebeurde het onvoorstelbare. De Berlijnse Muur viel en scheurde in zijn val het IJzeren Gordijn open. De strengbewaakte Zonegrenze tussen Oost- en West-Duitsland verdween, Duitsland werd met de Wiedervereinigung weer één land.

Lees verder

Alpen: Seven Summits

De Seven Summits zijn de hoogste bergen van de zeven Alpenlanden, een fantastisch motorschouwspel tussen de drie- en vierduizend meter. Ook de bijrollen zijn goed bezet, met passen die je altijd graag ziet – of het nu de eerste, de tweede, de derde of de vierde keer is – en die je niet, zoals de meeste bergen, alleen van onderaf beleeft.

Lees verder

TTT6: Vanuit het centrum van MotorNL

De Randstad. Het blijft een bijzonder fenomeen. Er zijn mensen, ook in motorkringen, die zeggen: daar zou ik nooit willen wonen. Te druk. Die komen waarschijnlijk nooit verder dan de Dam en consorten. Want druk… Rijd deze TTT6 en je verbaast je over de leegte, de stilte, het groene karakter. Vertrek en aankomst in het hoofdkantoor van MotorNL

Lees verder

Promotor Reizen

Motoren getest

  • BMW R1250 RS
  • Suzuki GSX-S1000A Katana
  • Toertest: KTM 1290 Super Duke GT
  • Harley-Davidson LiveWire
  • Topstaat: Kawasaki Versys 1000
  • Yamaha Niken GT
  • Yamaha XSR700 Tribute
  • KTM 790 Adventure
  • Kawasaki W800 Street

Spullen

Integraalhelmen met zonnevizier